Delend lidwoord - Article partitif

lidwoorden
3 vwo
1 / 41
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2-4

In deze les zitten 41 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

lidwoorden
3 vwo

Slide 1 - Tekstslide

But
Je kunt de delende lidwoorden en kunt die gebruiken 
(bijvoorbeeld bij het maken van de script van je recept ;))
Je kunt woorden die te maken hebben met liefde en gevoelens en je kunt die gebruiken om te vertellen hoe Valentijnsdag wordt gevierd in Nederland

Slide 2 - Tekstslide

Programme
on révise les articles (lidwoorden)
J'explique --> de delende lindwoorden
On pratique sur vos cahier d'exercices
Exercice d'écoute

Slide 3 - Tekstslide

Wat zijn lidwoorden?

Slide 4 - Woordweb

Wat is het verschil tussen bepaalde en onbepaalde lidwoorden?

Slide 5 - Open vraag

Bepaalde lidwoorden in het Frans

de hond - le chien                 de honden - les chiens

de appel - la pomme                de appels - les pommes  

de boom - l'arbre                de bomen - les arbres

Slide 6 - Tekstslide

Onbepaalde lidwoorden in het Frans

een hond - un chien                  honden - des chiens

een appel - une pomme                 appels - des pommes  

een boom - un arbre                 bomen - des arbres

Slide 7 - Tekstslide

Je kunt in het Nederlands ook geen lidwoord gebruiken!

Ik wil wijn.

Wij nemen tomaten!

Lust je vis?

Slide 8 - Tekstslide

Maar....
In het Frans kan een zelfstandig naamwoord nooit los staan. Je kunt niet zeggen 'Je veux vin'. Er moet altijd iets voor. In dat geval kun je een delend lidwoord gebruiken. 

Slide 9 - Tekstslide

Verschil Frans <--> Nederlands: 

Als in er het Nederlands geen lidwoord staat, moet je in het Frans een 'delend lidwoord' gebruiken!

(Dit heet in het Frans een article partitif )


Ik wil wijn! -Je veux du vin

Slide 10 - Tekstslide

Slide 11 - Video

Het delend lidwoord

du (+ mannelijk ev zn)                             - brood = du pain

de la (+ vrouwelijk ev zn)                        - limonade = de la limonade

de l' (m/v ev met klinker/stomme h)  -water = de l' eau

des (+ meervoudig zn)                             - appels = des pommes     

Slide 12 - Tekstslide

ATTENTION!

Een delend lidwoord verandert in

de / d' in  2 gevallen, namelijk

Slide 13 - Tekstslide

1. Na een ontkenning!

Koop je appels? Nee, ik koop geen appels!

Tu achètes des pommes? Non, je n'achète pas de pommes!

Eet je frietjes? Nee, ik eet geen frietjes meer.

Tu manges des frites?  Non, je ne mange plus de frites.    

Slide 14 - Tekstslide

2. Na een woord van hoeveelheid!

Drink je water? Ja, ik drink veel water!

Tu bois de l' eau? Oui, je bois beaucoup d' eau !

Neem je frietjes? Oui, ik neem een bord frietjes.

Tu prends des frites? Oui, je prends une assiette de frites.    

Slide 15 - Tekstslide

Twee gevallen waar je geen delend lidwoord gebruikt:

1. na een getal

          Ik neem drie croissants - Je prends trois croissants 

2.na de werkwoorden 'adorer, détester, aimer et préférer' 

          Ik hou van bananen - J'aime les bananes

          Ik heb een hekel aan spruitjes - Je déteste les choux de Bruxelles

          Na deze werkwoorden komt er altijd een bepaald lidwoord: le, la, l', les


Faites les exercices sur le Reader.  

Slide 16 - Tekstslide

na een ontkenning of woord dat een hoeveelheid aanduidt (zoals kg, gr, cm, glas - behalve een getal/cijfer ) volgt :
A
de of d'
B
het delend lidwoord (du, de la, de l', des)

Slide 17 - Quizvraag

na een woord dat een gevoel uitdrukt (zoals aimer, adorer, détester etc.) volgt
A
het onbepaald lidwoord (un, une, des)
B
het bepaald lidwoord (le, la, l' , les)
C
het delend lidwoord (du, de la, de l', des)
D
de / d'

Slide 18 - Quizvraag

na een getal (1, 2, 3 etc) en vóór een zelfstandig naamwoord zoals in
"ik heb 3 broers" volgt
A
het delend lidwoord
B
geen delend lidwoord maar direct het zelfst. nw

Slide 19 - Quizvraag

Il mange ..... viande et il boit ...... eau
A
de / de l'
B
du / de l'
C
de la / de la
D
de la / de l'

Slide 20 - Quizvraag

Welk delend lidwoord hoort in deze zin: " je n'ai pas ...... argent"
A
d'
B
du
C
de la
D
de l'

Slide 21 - Quizvraag

Il mange beaucoup..... viande et très peu ...... eau
A
de / d'
B
de la / de
C
de / de la
D
de la / de l'

Slide 22 - Quizvraag

300 grammes ..... café
A
du
B
de
C
le
D
de l'

Slide 23 - Quizvraag

il y a beaucoup ........ eau dans la bouteille
A
de l'
B
d'

Slide 24 - Quizvraag

J' ai bu 3 verres ........ coca (m)
A
du
B
de

Slide 25 - Quizvraag

J' ai très peu ..... argent
A
de l'
B
de
C
d'
D
du

Slide 26 - Quizvraag

j' adore ..... chocolat (mnl)
A
le
B
du
C
de
D
de l'

Slide 27 - Quizvraag

J' aime ...... tomates
A
des
B
les

Slide 28 - Quizvraag

le professeur n' a pas ....... patience (v)
A
de
B
de la
C
d'
D
de l'

Slide 29 - Quizvraag

je prends ..... café
A
de
B
du

Slide 30 - Quizvraag

je déteste .... café
A
le
B
du
C
de la
D
de

Slide 31 - Quizvraag

les enfants ne mangent pas .... biscuits
A
des
B
de les
C
de
D
les

Slide 32 - Quizvraag

il entend ..... bruit (m)
(hij hoort lawaai)
A
le
B
du

Slide 33 - Quizvraag

C'est quoi la saint valentin

Slide 34 - Tekstslide

Slide 35 - Video

Écouter et remplir

Slide 36 - Tekstslide

C'est quoi la Saint Valentin?

Slide 37 - Open vraag

Hoe wordt het gevierd in Frankrijk

Slide 38 - Open vraag

In welke dag wordt het gevierd in Brazilië

Slide 39 - Open vraag

Hoe wordt het gevierd in noord America

Slide 40 - Open vraag

Répondez en Français: Comment tu fêtes la Saint Valentin?

Slide 41 - Open vraag