klas 1 Schooltaalwoorden 25-26 deel 2

Deel 2:  16 woorden
1 / 31
volgende
Slide 1: Tekstslide
TaalSpellingMiddelbare schoolvmbo g, tLeerjaar 1

In deze les zitten 31 slides, met tekstslides.

Onderdelen in deze les

Deel 2:  16 woorden

Slide 1 - Tekstslide

Het Lesdoel van vandaag:

  • ik ken de betekenis van 26 woorden;
  • ik kan deze woorden ook juist in zinnen toepassen

Schooltaalwoorden deel 2

Slide 2 - Tekstslide

Slide 3 - Tekstslide

  • (goede) raad – tip.
  • Wat voor advies zou jij je klasgenoot geven?
1. Het advies

Slide 4 - Tekstslide

  • Plaatje, foto of tekening.
  • Bekijk de afbeelding
    bij tekst 1.
2. De afbeelding

Slide 5 - Tekstslide

  • Term / woord met een bepaalde betekenis.
  • Welke begrippen hebben
    te maken met begrijpend
    lezen?
3. Het begrip

Slide 6 - Tekstslide

  • Je mening geven over iets.
  • Beoordeel het gelezen boek met een cijfer.
4. Beoordelen

Slide 7 - Tekstslide

  • Iets gedaan krijgen / iets voor elkaar krijgen.
  • Wat wil je met
    deze e-mail
    bereiken?
5. Bereiken

Slide 8 - Tekstslide

  • Website, boek of blad waar een tekst of​
  • afbeelding te vinden is.
  • Wat is de bron van deze tekst?
6. De bron

TekstTalent en theater ​
Ben je dol op theater en wil je graag aan het werk met jouw talenten? Bij het Talenten-theater kun je jouw talenten combineren met de magische wereld van het theater. ​ Pak je kansen ​ 
Ben jij dat theaterbeest dat zichzelf graag wil ontwikkelen? Dan zijn wij op zoek naar jou. Het Talenten-theater is dé plek waar we samen met jou je talenten ontdekken en verder ontwikkelen. ​
(Bron: naar www.talententheater.nl)​

Slide 9 - Tekstslide

  • Nakijken, vaststellen of een antwoord​ juist is.
  • Controleer jullie je
    antwoord op
    vraag 10?
7. Controleren

Slide 10 - Tekstslide

  • Iets met woorden omschrijven.
  • Formuleer je
    antwoord in
    één zin.
8. Formuleren

Slide 11 - Tekstslide

  • De tekst op de achterkant van een​ leesboek.
  •  Heb je de flaptekst van het boek gelezen?
9. De flaptekst

Slide 12 - Tekstslide

  • Een (kort) stukje uit een verhaal of tekst /​
  • een deel van iets.
  • Lees het geel gemarkeerde
    fragment uit het boek
    Actie.
10. Het fragment

Slide 13 - Tekstslide

  • Belangrijkste onderdelen van een tekst..

  • Als je een tekst wil
    samenvatten,
    schrijf je alleen
    de hoofdzaken op.
11. De hoofdzaken

Slide 14 - Tekstslide

  • Eerste gedachte of gevoel over iets​ of iemand.
  • Beschrijf jouw eerste
    indruk van de tekst.
12. De indruk

Wat je in eerste instantie van iemand vindt, zonder dat je veel over diegene weet.

Slide 15 - Tekstslide

  • Iets wat typisch is voor iets of iemand.
  • Een eigenschap van wol
    is dat het lekker warm is.
13. De eigenschap

Slide 16 - Tekstslide

  • De eigenschappen waaraan je iets of iemand kunt herkennen.
  • Welke drie kenmerken heeft
    en zelfstandig naamwoord?
14. Het kenmerk

Toren + klok + glas in loodramen = kenmerkend voor kerken.

Slide 17 - Tekstslide

  • Een verticale rij waarin informatie staat.

  • Maak 3 kolommen
     in je schrift.
15. De kolom

Slide 18 - Tekstslide

  • Een staande lijn – een rij van boven naar beneden. 
  • Teken een verticale lijn.
16. Verticaal

Slide 19 - Tekstslide

  • Een liggende lijn – een rij van links naar rechts. 
  • Teken een horizontale lijn.
17. horizontaal

Slide 20 - Tekstslide

  • Onderstrepen, omcirkelen of met een stift aanstrepen. 
  • Markeer in tekst 1
    de tussenkopjes
    en de kernzinnen.
18. Markeren

Slide 21 - Tekstslide

  • Een deel van een hoofdstuk,
    bijvoorbeeld: paragraaf 1.3.​
    (1 = het hoofdstuk, 3 = de paragraaf)
  • In deze paragraaf leer je hoe
    je de persoonsvorm vindt.
19. Paragraaf

Slide 22 - Tekstslide

  • Waarom iets zo is (of waarom je denkt dat iets zo is). 
  • Geef de reden van het te laat komen.
20. Reden

Slide 23 - Tekstslide

  • Een seintje, aanwijzing of teken.. 
  • De leraar gaf een signaal dat het tijd was om met de toets te beginnen..
21. Signaal

Slide 24 - Tekstslide

  • Hoe iets op een bepaald moment is, of wat er aan de hand is. 
  • In welke situatie gebruik je u in een gesprek en wanneer jij?
22. Situatie

Slide 25 - Tekstslide

  • Uitspraak of bewering waar je het wel of niet mee eens kunt zijn.. 
  • Reageer op de stelling:
    Mobieltjes zouden tot 12 jaar
    verboden moeten worden.
23. Stelling

Slide 26 - Tekstslide

  • Leerstof of onderwerp
    waarover je iets moet leren. 

  • Lees de lesstof op bladzijde 3. ​
    Laat in je antwoord zien
    dat je de stof begrijpt.
24. De stof

Slide 27 - Tekstslide

  • Een manier om iets
    aan te pakken. 

  • Wat is jouw strategie
    bij het maken
    van toetsvragen?
25. De strategie

Slide 28 - Tekstslide

  • Uitleg, regels en kennis die je leert, zonder dat je het meteen in de praktijk moet gebruiken.. 
  • Kort gezegd: theorie is weten hoe iets werkt en de praktijk is: het echt doen..
26. Theorie

Slide 29 - Tekstslide

Het Lesdoel was vandaag:

  • ik ken de betekenis van 26 woorden;
  • ik kan deze woorden ook juist in zinnen toepassen

Is het lesdoel bereikt?
Noteer in je agenda: TOETS xx-xx-xx

Slide 30 - Tekstslide

Slide 31 - Tekstslide