Toon en publiek

Toon en publiek
1 / 19
volgende
Slide 1: Tekstslide
ICTVoortgezet speciaal onderwijs

In deze les zitten 19 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

Onderdelen in deze les

Toon en publiek

Slide 1 - Tekstslide

Lesdoel
Aan het einde van deze les weet/kun je:
- vier tekstdoelen opnoemen.
- per tekstdoel minstens twee tekstsoorten noemen.
- aangeven met welke factoren je rekening houdt als je een tekst schrijft.

Slide 2 - Tekstslide

Instructie
Als je een tekst schrijft, moet je van tevoren nadenken over voor welke doelgroep of welk publiek je schrijft.

Slide 3 - Tekstslide

Instructie
Je taal moet herkenbaar zijn voor je publiek. Jongeren gebruiken andere woorden en lezen andere teksten dan volwassenen:


- Bij kinderen kun je er rekening mee houden dat zij minder woorden kennen.
- Gebruik korte zinnen en vermijd ingewikkelde taal.
- Jongeren houden van informeel taalgebruik: schrijf zoals je praat.
- Volwassenen houden meer van duidelijk, zakelijk en beleefd.

Slide 4 - Tekstslide

Je kunt in je tekst rekening houden met de leefwereld van je publiek:

- Kinderen zijn bezig met school, huisdieren, spelen, hobby’s, sport.
- Jongeren zijn bezig met muziek, sport, amusement, baantjes, media, uitgaan, school.
- Volwassenen met werken, gezin, vakantie, shoppen, huis en tuin, opvoeding, geldzaken.

Slide 5 - Tekstslide

Gebruik in de tekst een toon, zodat de lezer een gevoel krijgt bij de tekst:
- Voor jongeren: cool, modern, vlot, humoristisch, kort, flitsend, heftig.
- Jongeren zijn bezig met muziek, sport, amusement, baantjes, media, uitgaan, school.
- Voor volwassenen: prettig, goede zinnen, respect, serieus, rustig, relaxt, vrolijk.

Slide 6 - Tekstslide

Ook de layout, het lettertype en de kleuren die je gebruikt kun je aanpassen aan het publiek.

Slide 7 - Tekstslide

Sleep de tekstdoelen naar de juiste teksten. Je houdt er 2 over.
Amuseren
Tot handelen aanzetten
Informeren
Waarschuwen
Overtuigen
Adviseren
Instrueren

Slide 8 - Sleepvraag

Waarom een tekstdoel?
Een schrijver schrijft nooit zomaar iets. Hij wil iets bereiken.

Dus kiest hij een doel. Hij vraagt zich af: wat wil ik met mijn tekst bereiken?
Het is handig voor jou om te bedenken wat het doel van de schrijver is, zodat je het makkelijker kunt lezen. 

Slide 9 - Tekstslide

0

Slide 10 - Video

Informatie geven
informatie geven, bijvoorbeeld een krant
iets leren of uitlegen
instructie, studietekst, recept
iets laten doen
bijvoorbeeld een reclametekst zodat je iets gaat kopen
mening geven
De schijver geeft zijn mening, bijvoorbeeld een recensie
amuseren
bijvoorbeeld een strip waardoor je moet lachen

Slide 11 - Tekstslide

Combineer de tekstdoelen met hun betekenis
timer
0:30
Informeren
Overtuigen
Instrueren
Overhalen
Vermaken 
Dat je iets te weten komt
Tot handelen aansporen
Iemand iets laten denken
Iemand iets uitleggen
Amuseren

Slide 12 - Sleepvraag

Sleep de tekstvormen naar de bijbehorende tekstdoelen.
De schrijver geeft de lezer vooral informatie. 
De schrijver probeert de lezer vooral van zijn/haar mening te overtuigen.
De schrijver spoort de lezer vooral aan iets te doen.
De schrijver wil de lezer vooral vermaken door iets boeiends, ontroerends of grappigs te vertellen.
Bijvoorbeeld schoolboekteksten of recepten.
Bijvoorbeeld betogen of recensies.
Bijvoorbeeld reclameteksten.
Bijvoorbeeld gedichten of columns. 

Slide 13 - Sleepvraag

Goed opgelet?
Hierna komen een aantal vragen die je moet beantwoorden.

Slide 14 - Tekstslide

Noem 2 dingen die als tekstdoel informeren hebben.

Slide 15 - Open vraag

Wat valt onder het tekstdoel amuseren?
A
krant
B
reclame
C
recensie
D
Strip

Slide 16 - Quizvraag

Zijn er nog vragen?

Slide 17 - Woordweb

Zelfstandig aan het werk
Ga nu aan de slag met:

VO-Next

Slide 18 - Tekstslide

Slide 19 - Tekstslide