TIJD · OVERHEID EN PENSIOEN
Overheid en pensioen
Examenstof economie vwo
TIJD · OVERHEID EN PENSIOEN
Overheid en pensioen
Examenstof economie vwo
Les 1 van 3: uitleg. Les 2 is de examentraining, les 3 de terugblik met quiz. Syllabus: E1.9, E1.10, E2.1, E2.2. Image credit: Steven Lek / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0
TIJD · OVERHEID EN PENSIOEN
Wat ga je kunnen?
Ik kan uitleggen en berekenen hoe de overheid en gezinnen over de tijd ruilen: staatsschuld, belastingspreiding, welvaartsvaste en waardevaste pensioenen, omslag en kapitaaldekking, en de normen van het Stabiliteits- en groeipact.
Deze slide heeft geen instructies
Welke woorden komen bij je op bij: de overheid die nu uitgeeft en later betaalt, en pensioen?
Verwacht: schuld, tekort, belasting, rente, pensioen, premie, vergrijzing, jongeren, ouderen, sparen, lenen. Groepeer in drie kanten: de overheid (schuld en tekort), belasting over de jaren en pensioen tussen generaties.
TIJD · OVERHEID EN PENSIOEN
Een huis wordt te koop gezet in Schagen, 2023
De overheid ruilt ook over de tijd
Een gezin leent voor een huis en betaalt later af uit toekomstig inkomen: ruil over de tijd.
De overheid ruilt ook over de tijd: ze besteedt nu meer dan ze int en dekt dat later met belasting.
Het verschil: de overheid kan belasting heffen en bestaat door, dus haar schuld wordt vaak herfinancierd.
De opgebouwde schuld is de staatsschuld: wat de overheid op een moment nog moet terugbetalen.
Syllabus E1.9. Vergelijk met de private sector: een gezin lost af uit eigen toekomstig inkomen, de overheid uit toekomstige belastingopbrengst. Veelgemaakte fout: denken dat de overheid net als een gezin ooit alles moet aflossen voor ze kan stoppen. Image credit: Makelaarsland Nederland / Wikimedia Commons, CC0
TIJD · OVERHEID EN PENSIOEN
Begrotingssaldo en staatsschuld
Het begrotingssaldo is het verschil tussen de ontvangsten en de uitgaven van de overheid in een jaar: een stroomgrootheid.
Is het saldo negatief, dan is er een begrotingstekort; is het positief, dan is er een begrotingsoverschot.
De staatsschuld is een voorraadgrootheid: staatsschuld eind = staatsschuld begin + begrotingstekort.
Kustland (in miljarden euro): staatsschuld begin 540, ontvangsten 380, uitgaven 400. Saldo = 380 - 400 = -20, dus schuld eind = 560.
Bij een overschot daalt de schuld: bij een overschot van 10 gaat 560 naar 550.
Syllabus E2.2. Controle: 540 + 20 = 560 en 560 - 10 = 550. Dit is een vereenvoudigd model: de schuld verandert hier alleen door het saldo. Veelgemaakte fout: saldo en schuld door elkaar halen, of het tekort van de schuld aftrekken.
TIJD · OVERHEID EN PENSIOEN
De plenaire zaal van de Tweede Kamer, Den Haag
Een tekort is uitgestelde belastingheffing
Een tekort betekent nu uitgeven zonder nu belasting te heffen: uitgestelde belastingheffing.
Later gaat belasting naar rente en aflossing van de schuld, of de overheid moet bezuinigen.
Dat betalen deels andere mensen dan nu: een tekort schuift lasten door naar latere belastingbetalers.
Zo verschilt de overheid van een gezin: een gezin kan zijn kinderen niet verplichten mee te betalen.
Syllabus E1.9: de bijzondere positie van het overheidstekort. Het tekort geeft nu een voordeel (uitgaven zonder belasting) en later een last. Veelgemaakte fout: denken dat een tekort niemand iets kost. Image credit: Husky / Wikimedia Commons, CC BY 4.0
Zet op volgorde: van tekort naar belasting later
Eerst de uitgaven, dan het tekort, dan stijgt de schuld, en later betaalt de belastingbetaler: dat is uitgestelde belastingheffing.
Wie betaalt later voor een tekort van nu?
Goed antwoord: de belastingbetalers van later, die rente en aflossing financieren (of die met minder overheidsuitgaven moeten leven). Verwachte fout: niemand of de bank.
TIJD · OVERHEID EN PENSIOEN
Werkzaamheden aan de weg bij de A2 in Maastricht, 2013
Belastingspreiding
Belasting vervormt keuzes, bijvoorbeeld over werken en sparen, en geeft daardoor welvaartsverlies.
In een model is het welvaartsverlies evenredig met het kwadraat van de belasting in dat jaar.
Een uitgave van 100 in één jaar: 100 x 100 = 10.000. Verdeeld over 4 jaar: 4 x 25 x 25 = 2.500.
Bij belastingspreiding leent de overheid nu en heft ze belasting over meer jaren.
Syllabus E1.10. Controle: 25 x 25 = 625, 4 x 625 = 2.500, een kwart van 10.000. Randvoorwaarden van het model: rentekosten van de lening buiten beschouwing, verlies evenredig met het kwadraat. Veelgemaakte fout: denken dat spreiden de totale belasting verlaagt: die blijft 100, alleen het welvaartsverlies daalt. Image credit: Mark Ahsmann / Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0
TIJD · OVERHEID EN PENSIOEN
Wanneer spreiden en wanneer niet
Bij tijdelijke uitgaven, zoals het herstel na een overstroming, past lenen en spreiden: de last verdeel je over jaren.
Bij een investering in publiek kapitaal, zoals een brug die decennia meegaat, betalen latere gebruikers mee.
Een structureel tekort, jaar na jaar, spreidt niets uit: de staatsschuld en de rentelasten blijven oplopen.
Bij blijvende uitgaven moet de belasting dus blijvend omhoog: spreiden werkt bij tijdelijke uitgaven.
Syllabus E1.10 en E1.7. Veelgemaakte fout: belastingspreiding zien als vrijbrief voor een blijvend tekort.
TIJD · OVERHEID EN PENSIOEN
Het Stabiliteits- en groeipact
Het Stabiliteits- en groeipact stelt twee eisen aan de overheidsfinanciën.
Het begrotingstekort mag niet boven de 3 procent van het bbp komen.
De staatsschuld als percentage van het bbp, de staatsschuldquote, mag niet meer dan 60 procent van het bbp zijn.
tekortquote = tekort / bbp x 100%; staatsschuldquote = staatsschuld / bbp x 100%. Verandering van een quote: in procentpunten.
Kustland: bbp 1.000, tekort 20 en staatsschuld 560: tekortquote 2% en staatsschuldquote 56%. Beide eisen gehaald.
Syllabus E2.2. Controle: 20/1.000 = 2% en 560/1.000 = 56%. Let op: 3% hoort bij het tekort, 60% bij de schuld; precies 3% of 60% is nog toegestaan. Geen actuele cijfers van landen gebruikt.
Waarom geeft spreiden van belasting minder welvaartsverlies?
Het tarief is in elk jaar gelijk aan nul
Belasting geeft bij spreiding geen vervorming meer
De totale belastingopbrengst wordt kleiner
Het verlies stijgt meer dan evenredig met het tarief
Het welvaartsverlies groeit sneller dan het tarief (kwadraat), dus meerdere kleine tarieven geven samen minder verlies dan één groot tarief. Verwachte fout: denken dat de totale opbrengst daalt.
Vul in
Het begrotingstekort mag volgens het Stabiliteits- en groeipact niet boven 3 procent van het bbp komen en de staatsschuldquote niet boven 60 procent van het bbp.
Tekort hoogstens 3 procent, staatsschuldquote hoogstens 60 procent. Verwachte fout: de twee percentages omdraaien.
TIJD · OVERHEID EN PENSIOEN
Studenten in een collegezaal van de VU, Amsterdam, 1987
De levensloop van een gezin
In de levensloop wisselen inkomen en uitgaven: jong weinig inkomen, werkend veel, gepensioneerd weer weinig.
Gezinnen willen hun consumptie gladstrijken: lenen als je jong bent, sparen als je werkt, interen als je gepensioneerd bent.
Zonder rente: 40 jaar x 30.000 verdienen en 60 jaar consumeren geeft 1.200.000 / 60 = 20.000 per jaar.
De overheid speelt een rol: ze regelt pensioen, zodat gezinnen later inkomen hebben.
Syllabus E2.1. Controle: 40 x 30.000 = 1.200.000, gedeeld door 60 = 20.000. Rente is buiten beschouwing gelaten om het idee zichtbaar te maken: consumptie gladstrijken. Veelgemaakte fout: denken dat gezinnen alleen sparen als ze werken en nooit lenen. Image credit: Bart Molendijk / Anefo / Nationaal Archief, Wikimedia Commons, CC0
TIJD · OVERHEID EN PENSIOEN
Bejaarden demonstreren voor meer AOW in de Irenehal, Utrecht, 1964
Welvaartsvast en waardevast
Een pensioen is waardevast als het meestijgt met de prijzen: de koopkracht blijft gelijk.
Het is welvaartsvast als het meestijgt met de lonen: gepensioneerden delen mee in de groei van de welvaart.
Pensioen 20.000, prijzen +2%, lonen +3%. Waardevast: 20.400. Welvaartsvast: 20.600.
Stijgen de lonen harder dan de prijzen, dan loopt een waardevast pensioen achter bij de werkenden.
Syllabus E2.1. Controle: 20.000 x 1,02 = 20.400 en 20.000 x 1,03 = 20.600. Dit gaat om nominale bedragen die worden aangepast. Veelgemaakte fout: waardevast en welvaartsvast verwisselen. Image credit: Eric Koch / Anefo / Nationaal Archief, Wikimedia Commons, CC0
TIJD · OVERHEID EN PENSIOEN
Omslag, kapitaaldekking en generaties
Omslagstelsel: de premies van de werkenden betalen direct de pensioenen van de gepensioneerden van nu. Er is geen spaarpot.
Kapitaaldekkingsstelsel: werkenden sparen zelf een pot waaruit hun eigen pensioen later wordt betaald: ruil over de tijd.
Intergenerationele ruil: in het omslagstelsel betalen werkenden voor ouderen en rekenen erop dat de volgende generatie voor hen betaalt.
Bij vergrijzing zijn er minder werkenden per gepensioneerde: de premie per werkende stijgt of het pensioen daalt.
Omslag: premie per werkende = pensioen per gepensioneerde x aantal gepensioneerden / aantal werkenden.
Syllabus E2.1. De AOW is een voorbeeld van omslagfinanciering. Bij kapitaaldekking hangt de uitkering af van het rendement op de pot, niet van de volgende generatie; het risico zit in het rendement. Veelgemaakte fout: omslag en kapitaaldekking verwisselen, of vergrijzing als probleem van kapitaaldekking zien.
Wat kenmerkt het omslagstelsel?
Elke werkende bouwt een eigen pensioenpot op
De premies worden belegd voor de pensioenen van later
Het pensioen is altijd gekoppeld aan de lonen
Werkenden betalen met hun premie de pensioenen van nu
Omslag: premies van nu betalen uitkeringen van nu. Verwachte fout: kapitaaldekking en omslag verwisselen.
Wat is het verschil tussen welvaartsvast en waardevast?
Welvaartsvast volgt de prijzen, waardevast de lonen
Welvaartsvast volgt de lonen, waardevast de prijzen
Welvaartsvast volgt de rente, waardevast de prijzen
Welvaartsvast is gespaard, waardevast niet
Welvaartsvast: koppeling aan de lonen. Waardevast: koppeling aan de prijzen. Verwachte fout: omdraaien.
Wat vond je het lastigst in deze les?
Belastingspreiding
Staatsschuld en quotes
Welvaartsvast en waardevast
Omslag en kapitaaldekking
Gebruik de uitkomst om de examentraining te sturen.
Welk voorbeeld van ruil tussen generaties ken je?
Goed: pensioen via het omslagstelsel, of een staatsschuld die latere belastingbetalers moeten dragen. Verwachte fout: een voorbeeld van sparen door één persoon.
TIJD · OVERHEID EN PENSIOEN
Begrippen (1/2)
staatsschuld: Wat de overheid op een moment nog moet terugbetalen: een voorraadgrootheid.
begrotingssaldo: Ontvangsten min uitgaven in een jaar: tekort als het negatief is, overschot als het positief is.
uitgestelde belastingheffing: Een tekort: de belasting komt later, via rente en aflossing.
belastingspreiding: Een uitgave financieren met belasting over meer jaren, om het welvaartsverlies te spreiden.
levensloop: Het patroon van inkomen en uitgaven van een gezin: jong, werkend, gepensioneerd.
Deze slide heeft geen instructies
TIJD · OVERHEID EN PENSIOEN
Begrippen (2/2)
welvaartsvast en waardevast: Welvaartsvast: gekoppeld aan de lonen. Waardevast: gekoppeld aan de prijzen.
omslagstelsel: De premies van nu betalen de pensioenen van nu.
kapitaaldekkingsstelsel: Werkenden sparen een pot voor hun eigen pensioen later.
intergenerationele ruil: Ruil tussen generaties: de ene generatie betaalt voor de andere.
Stabiliteits- en groeipact: Tekort hoogstens 3% en staatsschuldquote hoogstens 60% van het bbp.
Deze slide heeft geen instructies