Examen economie 2024 tijdvak 1

Examen economie 2024 tijdvak 1
1 / 111
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolvmbo g, t, mavoLeerjaar 4

In deze les zitten 111 slides, met tekstslides.

Onderdelen in deze les

Examen economie 2024 tijdvak 1

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Woon-wereldhandel
Vraag 1 t/m 6

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Afspraken binnen de EU
  • Vrij verkeer van goederen en diensten -->


  • Vrij verkeer van personen -->


  • Vrij verkeer van kapitaal ---> 

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Verdrag van Schengen: Vrij Verkeer
  • Vrij verkeer van goederen en diensten
 Geen invoerrechten, contingentering en exportsubsidies.
  •  Vrij verkeer van personen 
 In ander EU-land wonen / werken / studeren

  • Vrij verkeer van kapitaal 
 Geld overmaken naar een ander EU-land

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Voordelen vrij verkeer 
Door het vrij verkeer ontstaat er meer concurrentie en dit heeft een aantal voordelen:

  • de consumenten betalen lagere prijzen
  • er is meer werk in de landen met een goede concurrentiepositie








Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

EMU
EMU: 
  • Europese Monetaire Unie.
  • Economische samenwerking van landen die Euro gebruiken.
EMU-schuld: totale schuld van de collectieve sector vd EMU landen.
EMU-tekort: Het begrotingstekort van de collectieve sector. vd EMU landen.

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

 EU                                              EMU

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Europese monetaire unie (EMU)
Let op!
Niet alle EU landen horen bij de EMU!
Bijvoorbeeld Zweden hoort wel bij de EU, maar niet bij de EMU.

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wisselkoersen

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Betalingsbalans
import
export

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Betalingsbalans
De betalingsbalans (of goederenbalans) geeft een overzicht van de exportwaarde en de importwaarde van goederen

Het verschil tussen de export- en importwaarde noem je het saldo van de betalingsbalans.

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Betalingsbalans

Als onze totale uitvoerwaarde groter is dan de invoerwaarde, heeft Nederland een overschot op de betalingsbalans. Het saldo is positief.

Als een land meer importeert dan exporteert, dan is er een tekort op de betalingsbalans. Het saldo is dan negatief.

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Betalingsbalans en valutamarkten

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Export 
Het verkopen van goederen en diensten aan het buitenland

Waarom is export belangrijk?
  • We (extra) geld willen verdienen.
  • De Nederlandse afzetmarkt (= het gebied waar een bedrijf haar producten verkoopt) te klein is.
  • Omdat we ergens heel goed in zijn (bv. dijken bouwen, dance muziek)

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Internationale handel
Export: alles wat we verkopen aan het buitenland

- meer verdienen (grotere afzetmarkt)
- meer werkgelegenheid (omdat je meer produceert)
- niet zo afhankelijk NL economie (vb. NL crisis 2008)
- omdat je ergens goed in bent (kaas, tulpen, kennis)






Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Vrijhandel en protectiemaatregelen

Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Maak nu zelf een vicieuze cirkel (op papier) over onderontwikkeling. 
: zoek zelf naar kenmerken/oorzaken van onderontwikkeling. 

Verschijnsel:  ..........
Heeft als gevolg: ...........
Heeft als gevolg: ...........
Heeft als gevolg: ...........
Heeft als gevolg: ...........
leidt tot: (1e verschijnsel)

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Tv-generatiekloof
vraag 7 t/m 12

Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Marktvormen

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Homogeen/Heterogeen
Homogeen =
Consument ziet geen verschil tussen producten van verschillende aanbieders

Heterogeen =
Consument ziet wel verschil tussen producten van verschillende aanbieders

Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Heterogeen product
Volgens consument is er verschil tussen de producten van de verschillende aanbieders.
Homogeen product
Voor de consument maakt het niet zo veel uit wie het product aanbied.

Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Heffingen en subsidies
  • Heffingen en subsidies zijn onderdeel van de collectieve sector
  • Subsidies: geld dat mensen en bedrijven ontvangen zodat zij er meer van gaan gebruiken
  • Accijnzen/heffingen: geld dat mensen en bedrijven moeten betalen zodat ze er minder van gaan gebruiken.

Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Sectoren 
Collectieve sector
Particuliere sector
Aanmoedigen
Subsidie
Ontmoedigen 
Accijns

Slide 26 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Procentuele verandering
(nieuw - oud) : oud = procentuele verandering


Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Percentage berekenen (deel van geheel)

Moet je een deel van een groter geheel bereken. JA--> gebruik  deel ÷ geheel x 100.

Voorbeeld:  Je krijgt € 50 korting op een broek van € 120. Hoeveel % bedraagt de korting?

stap 1: Wat is de som? Hoeveel procent is 50 van 120 is, dus een deel van een geheel.
stap 2: Wat is het geheel? Geheel staat achter het woord van = 120
stap 3: Wat is het deel? 50
stap 4: Vul de formule in: 50 ÷120 x 100 = 41,7%
Formule:
deel ÷ geheel x 100

Slide 28 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Diagram aflezen

Slide 29 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Grafiek aflezen

Slide 30 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Vraag en aanbod
- Als de vraag kleiner is dan het aanbod, dan daalt de prijs.

- Als de vraag groter is dan het aanbod, dan stijgt de prijs.

Slide 31 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Helikoptergeld
vraag 13 t/m 18

Slide 32 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Kleine en grote inkomensverschillen

Slide 33 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Inkomensverschillen
Inkomensverschillen ontstaan o.a. door:
  • Opleiding
  • Ervaring
  • Verantwoordelijkheid
  • Aantrekkelijkheid beroep
  • Vraag en aanbod

Slide 34 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Inkomensverschillen
Nivelleren =  Het verkleinen van de inkomensverschillen in een land door de overheid.

Denivelleren = De relatieve inkomensverschillen tussen hoge en lage inkomensgroepen groter laten worden door overheidsbeleid. 

Slide 35 - Tekstslide

Bijvoorbeeld: vrouwen hadden stemrecht vanaf 1919 en daardoor was het mogelijk dat er in 1956 de wet handelingsonbekwaamheid werd afgeschaft.
Arbeidsproductiviteit
  • De arbeidsproductiviteit is de productie per werknemer in een bepaalde tijd.
  •  Bedrijven willen dat de 'arbeidsproductiviteit' zo hoog mogelijk is.
  • Waarom?

Slide 36 - Tekstslide

Met een hogere arbeidsproductiviteit kun je met evenveel mensen meer produceren in dezelfde tijd. Of evenveel produceren, maar dan met minder mensen. De kostprijs per product wordt dan lager.

Arbeidsproductiviteit

Slide 37 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Investeren en innovatie
Innovatie: 
  • een vorm van investeren.
  • Vernieuwing van producten, productieprocessen of kapitaalgoederen.
  • Gebeurt op de afdeling research & development (R&D)

Productinnovatie: de ontwikkeling van nieuwe en/of verbeterde producten.
Procesinnovatie: het vernieuwen van de productiemethoden
Basisinnovatie: belangrijke innovatie die ook andere innovaties mogelijk maakt.
Arbeidsbesparende innovatie: goedkopere productiemethode waar minder arbeid voor nodig is.
Kapitaalbesparende innovatie: tv vervangen door dunne lcd tv

Slide 38 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Lorenzcurve
De Lorenzcurve geeft inkomensongelijkheid aan.


Slide 39 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Lorenzcurve

Slide 40 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Lorenzcurve 

Slide 41 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

De conjunctuur

Slide 42 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies



Conjunctuur


Slide 43 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Over- & onderbesteding

hoog conjunctuur: overbesteding

De prijzen gaan stijgen (inflatie), lage conjuncturele werkloosheid


laag conjunctuur: onderbesteding

De prijzen dalen (deflatie) en hoge conjuncturele werkloosheid. 


evenwicht

Geen conjuncturele werkloosheid. Geen inflatie. 



Slide 44 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Nivelleren/denivelleren 
Nivelleren - verschil tussen rijken en armen wordt kleiner .
Denivelleren - verschil tussen rijk en arm wordt groter (rijken worden rijker en armen nog armer )

Slide 45 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Aftrekposten en heffingskorting
- Aftrekposten: daarmee wordt het belastbaar inkomen lager.

belastbaar inkomen = bruto inkomen - aftrekposten

- Heffingskorting:  daarmee wordt de te betalen inkomstenbelasting lager.

te betalen belasting = totaal aan belasting - heffingskorting 

Slide 46 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

  • aftrekposten zorgen voor denivellering. 
  • progressieve belastingen zorgen voor nivellering.

Slide 47 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Progressieve belasting
Hoe hoger het inkomen hoe meer je procentueel moet betalen

Dit zorgt voor nivellering

Slide 48 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Waar zet ik mijn strandtent?
Vraag 19 t/m 23

Slide 49 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Omzet berekenen
Wat is omzet eigenlijk en waarom wil een bedrijf dit weten?
Omzet = afzet x verkoopprijs
Omzet is geen winst

Slide 50 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Afzet en Omzet 
Afzet= aantal producten dat je verkoopt.     

Omzet= afzet x verkoopprijs

Slide 51 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Omzet
De omzet van een bedrijf is het totaalbedrag dat het bedrijf ontvangt door de verkoop van producten. De omzet berekenen we door:
Omzet = verkoopprijs x afzet

Slide 52 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Formule
brutowinst berekenen


omzet
-        inkoopwaarde
brutowinst

Slide 53 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Marktaandeel
  • De omzet of afzet van een bedrijf uitgedrukt als percentage van de totale omzet of afzet van de productproep.
  • Formule = eigen afzet : totale afzet x 100%
  • Autoverzekeringen:  Afzet, aantal verkochte autoverzekeringen.

Slide 54 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wet- en regelgeving
De overheid maakt wetten die ingrijpen in de vrije markt.
  • Voorbeeld: wetten tegen kartelvorming => bedrijven mogen met elkaar geen prijsafspraken maken om de prijs hoog te houden.
  • Mededingingswet.

Slide 55 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat doet de overheid?
De overheid kan ongewenst gedrag ook gewoon verbieden.
Een voorbeeld hiervan is Kartelvorming.
Hieronder verstaan wij dat het maken van prijsafspraken met andere bedrijven. Hierdoor vervalt de concurrentie. De consumenten kunnen hier nadeel van hebben.
De Autoriteit Consument en Markt houdt daar toezicht op. (ACM)

Slide 56 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Er zijn prijsafspraken tussen bedrijven gemaakt en dat is een kartel. Een kartel is verboden

Slide 57 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Kartel
Verboden prijsafspraken = kartel

Reden → onderlinge concurrentie beperken

Slide 58 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Instructie
Nettoresultaat             Als je van de brutowinst ook nog eens de                                                  bedrijfskosten afhaalt dan hou je het                                                          nettoresultaat over

Nettoresultaat = brutowinst - bedrijfskosten

Slide 59 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Nettowinst / nettoresultaat

Slide 60 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Nettoresultaat =
Brutowinst -  overige /bedrijfskosten
  • Omzet
  • Inkoopwaarde -
  • Brutowinst
  • Overige / bedrijfskosten  -
  • Nettoresultaat

Slide 61 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Goede tijden
Vraag 24 t/m 29

Slide 62 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

UWV: Uitvoeringsinstituut WerknemersVerzekeringen

Slide 63 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Geregistreerd / verborgen werkloos
  • Geregistreerd werkloos
    Staat ingeschreven bij het UWV

  • Verborgen werkloos
    Staat niet ingeschreven bij het UWV

*UWV = uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

Slide 64 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

UWV
Als je werkloos wordt, kun je je inschrijven bij
                                                    het UWV
Welke taken heeft het UWV?
  • bepalen of je recht op een uitkering hebt
  • je helpen bij het vinden van een nieuwe baan
  • bijhouden hoeveel werklozen er zijn


Slide 65 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Adviesinstellingen
Het CBS (Centraal Bureau voor de Statistiek) verzamelt informatie, bijvoorbeeld over economische veranderingen.
Het CPB (Centraal Planbureau) onderzoekt wat de gevolgen van economische maatregelen kunnen zijn.
De SER (Sociaal Economische Raad) adviseert de regering over onderwerpen zoals werkgelegenheid, lonen, uitkeringen, pensioenen. De SER bestaat uit werkgevers, werknemers en onafhankelijke deskundigen.

Slide 66 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Adviseurs van de overheid
De overheid kan bij het maken van keuzes op economisch gebied informatie en/of advies krijgen van:

  •  CBS


  •  CPB


  •  SER


CBS = Centraal Bureau voor de Statistiek:
  • Verzamelt informatie over oa economische veranderingen (cijfers en feiten)
CPB = Centraal Planbureau:
  • plannen van overheid doorrekenen op geld
SER = Sociaal Economische Raad
  • Adviseert over sociaal-economische onderwerpen.
  • Bestaat uit werkgevers, werknemers en onafhankelijke deskundigen.

Slide 67 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Het CBS
Het CBS (Centraal Bureau voor de Statistiek) houdt in Nederland de ontwikkeling bij van alle prijzen van goederen en diensten. Het CBS gebruikt daarbij indexcijfers.

Slide 68 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Rijksbegroting en miljoenennota
De rijksbegroting is een overzicht van de verwachte inkomsten en uitgaven vor het komend jaar. 



De miljoenennota is een toelichting op de rijksbegroting door de minister van Financiën. 

Slide 69 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Rijksbegroting
Rijksbegroting zijn de inkomsten en uitgaven van de overheid voor het komende jaar.
Rijksbegroting = overheidsinkomsten-overheidsuitgaven

Begrotingstekort = een negatieve rijksbegroting
Begrotingsoverschot = een positieve rijksbegroting

Slide 70 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

De rijksbegroting

Slide 71 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

In de schulden (EMU)
- Alle landen die de euro gebruiken (EMU)
- Afspraken over het begrotingstekort en staatsschuld
- EMU-tekort en EMU-schuld

Slide 72 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Inkomen en welvaart
Als je werkt dan krijg je salaris en is vaak het belangrijkste deel
van je inkomen. Dit inkomen noemen we in de economie het
nominale inkomen. Veranderingen in je nominale inkomen hebben
ook invloed op je koopkracht.
  

Koopkracht wordt ook wel het reële inkomen genoemd.

Nominaal inkomen:
Het inkomen dat je in euro’s verdient.


Reëel inkomen:
Het nominaal inkomen gecorrigeerd voor de verandering in het gemiddelde prijspeil (inflatie).


Slide 73 - Tekstslide

4. Inclusieve didactiek
De docent past een inclusieve didactiek toe door de interactie, eventueel in de thuistalen, in de klas te stimuleren om tot beter begrip van de lesstof te komen. De docent creëert een contextrijke leeromgeving door actief de culturele achtergronden van leerlingen bij de lesinhoud te betrekken. Hierin is de docent zich bewust van de verschillen in de klas. Door flexibel of heterogeen te differentiëren blijft iedereen bij de les betrokken. Gedurende de les reageert de docent positief en proactief op gedrag en maakt het daarmee makkelijker voor leerlingen om gewenst gedrag te laten zien.

Inkomen en welvaart
Veranderingen in je nominale inkomen hebben ook invloed op
je koopkracht.
  

Nominaal inkomen:
Het inkomen dat je in euro’s verdient.


Slide 74 - Tekstslide

4. Inclusieve didactiek
De docent past een inclusieve didactiek toe door de interactie, eventueel in de thuistalen, in de klas te stimuleren om tot beter begrip van de lesstof te komen. De docent creëert een contextrijke leeromgeving door actief de culturele achtergronden van leerlingen bij de lesinhoud te betrekken. Hierin is de docent zich bewust van de verschillen in de klas. Door flexibel of heterogeen te differentiëren blijft iedereen bij de les betrokken. Gedurende de les reageert de docent positief en proactief op gedrag en maakt het daarmee makkelijker voor leerlingen om gewenst gedrag te laten zien.

Koopkracht
Je koopkracht is de hoeveelheid goederen en diensten die je met je inkomen kunt kopen. 

Je koopkracht is dus afhankelijk van: 
  • De prijzen 
  • Je inkomen 

 

Slide 75 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Check ✅
  • Wat is inflatie?
  • Wat is het tegenovergestelde van inflatie?
  • Wat doet het CBS?
  • Wat zijn de gevolgen van inflatie voor je koopkracht?

Slide 76 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Oorzaken inflatie
Oorzaken van inflatie zijn:
  • Kosteninflatie
  • Bestedingsinflatie

Slide 77 - Tekstslide

4. Inclusieve didactiek
De docent past diverse strategieën toe om de betrokkenheid van alle leerlingen te garanderen. Door regelmatig het begrip van de lesstof te controleren en zo nodig de uitleg aan te passen, blijft de stof toegankelijk voor iedereen. Flexibele en heterogene differentiatie ondersteunt dit proces. Interactie in de klas wordt versterkt door het gebruik van thuistalen. Verder creëert de docent een contextrijke en inclusieve leeromgeving door (culturele) achtergronden in de lesstof te integreren. Door positief en proactief op leerlinggedrag te reageren, wordt het voor leerlingen makkelijker om gewenst gedrag te tonen en actief deel te nemen aan de les.


kosteninflatie (aanbod)
kosteninflatie: oorzaak ligt aan de aanbodkant
  1. Kosten van produceren nemen toe. Bijvoorbeeld door stijgen van lonen of van grondstoffen, hogere belastingen, etc. 
  2. Om de winst te behouden, zullen bedrijven de prijzen laten stijgen. Oftewel: kosteninflatie.
     

Slide 78 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

bestedingsinflatie (vraagkant)
bestedingsinflatie: oorzaak ligt aan de vraagkant. 
  1. De bestedingen nemen toe, bijvoorbeeld omdat de overheid stimuleringsmaatregelen neemt
  2. Bedrijven gaan meer produceren (werkgelegenheid neemt toe) tot bereiken max productiecapaciteit
  3. Vraag stijgt, aanbod blijft hetzelfde: prijzen stijgen

Slide 79 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Inkomstenbelasting
Iedereen die een inkomen heeft, betaalt inkomstenbelasting.





Slide 80 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Inkomstenbelasting

Slide 81 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Inkomstenbelasting
Sara verdient € 34.000.
Bereken de inkomstenbelasting.

Slide 82 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

  • Heffingskorting is het bedrag dat
      in mindering wordt gebracht op
      de verschuldigde 
      inkomstenbelasting en
      premies volksverzekeringen.
  • Meest bekende voorbeelden:
      Arbeidskorting en algemene
      loonheffingskorting.
Heffingskorting

Slide 83 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Italië falliet?
Vraag 30 t/m 35

Slide 84 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Staatsschuld
  • De staatsschuld is de schuld van de overheid.
  • Doordat de overheid in alle jaren met een begrotingstekort geld heeft geleend, is een staatsschuld of overheidsschuld ontstaan.
  • Die schuld daalt als de overheid aflost op de leningen.
  • De landen in Europa hebben afgesproken hun begrotingstekort en staatsschuld te verminderen.

Slide 85 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

De staatsschuld
De overheid geeft al jaren meer uit dan dat er binnenkomt
--> de staatsschuld van de overheid wordt dus groter

De rente over deze staatsschuld is een flinke kostenpost voor de overheid.

Slide 86 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Staatsschuld

Slide 87 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Percentage berekenen
      deel                     ---------- x 100        geheel

Slide 88 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

De staatsschuld
De overheid geeft al jaren meer uit dan dat er binnenkomt
--> de staatsschuld van de overheid wordt dus groter

De rente over deze staatsschuld is een flinke kostenpost voor de overheid.

Slide 89 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Rente en aflossing van een lening
Bij het aflossen van een lening betaal je rente en een deel van de lening terug. Dit heet aflossing. De rente wordt berekend over het nog openstaande bedrag. Rente is dus de extra vergoeding die betaald word. Dit noem je ook wel de kredietkosten. Alles wat je extra betaald hebt boven op het terugbetalen van je lening.

Slide 90 - Tekstslide

Laat de leerlingen een voorbeeld uitwerken en bespreek de uitkomsten.
18 en op kamers
Vraag 36 t/m 40

Slide 91 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

NIBUD
Nibud = Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting
 geeft voorlichting over hoe je je inkomsten en uitgaven op elkaar kunt afstemmen.



Slide 92 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Nibud: soorten uitgaven
  1. Dagelijkse uitgaven
  2. Vaste lasten
  3. Incidentele uitgaven

Slide 93 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Vaste lasten
Uitgaven die je met enige regelmaat betaalt zoals:
  • Huur
  • Abonnement
  • Contributie
  • Energierekening

Slide 94 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

  • Dagelijkse uitgaven of huishoudelijke uitgaven zijn
    alledaagse uitgaven in de supermarkt, voor persoonlijke verzorging, cadeautjes en uitgaan.

  • Voorbeelden: De kapper, een nieuw t-shirt, nieuwe schoenen, een kopje koffie onderweg
Dagelijkse uitgaven

Slide 95 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

  • Incidentele uitgaven zijn grotere    uitgaven die je niet zo vaak doet
      en niet met een vaste regelmaat.

  • Voorbeelden: Een nieuwe
      wasmachine, vakantie,
      schade aan de auto, etc.


Incidentele uitgaven
€ 164,50

Slide 96 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Levenssituatie keuzes
  • studeren of gelijk gaan werken? (studielening)
  •  samenwonen; kopen of huren? (hypotheek)
  • kinderen: dus minder werken, hogere uitgaven?
  • scheiden, verhuizen?
  • (vroeger) met pensioen of doorwerken?
  • overlijden, erven, is alles goed geregeld?

Slide 97 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Studiefinanciering
Studeren kost geld

Via een studiefinanciering kun je geld krijgen of lenen.
- Basisbeurs
- Aanvullende beurs
- Studenten OV 
- een studielening
Studiefinanciering: 
Stelsel dat de overheid heeft gemaakt met als doel mensen financieel in staat te stellen om te kunnen studeren.  

Slide 98 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Maak 't in West-Brabant
Vraag 41 t/m 45

Slide 99 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Werkloosheid
Werkloosheid komt meer voor onder
  • jongeren
  • ouderen
  • mensen met een migratieachtergrond
  • mensen met een beperking
  • laagopgeleiden

Wat zijn oorzaken van werkloosheid?
Wat zijn gevolgen van werkloosheid?

Slide 100 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Werkloosheid
Werkloosheid is er als het aanbod groter is dan de vraag.

Aanbod > vraag = werkloosheid wordt groter
Aanbod < vraag = werkloosheid wordt kleiner

Slide 101 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Soorten werkloosheid
- Conjuncturele werkloosheid 
- Structurele werkloosheid
- Seizoenswerkloosheid
- Regionale werkloosheid
- Frictie werkloosheid 
(In between jobs)

Slide 102 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Conjuncturele en Structurele Werkloosheid 

conjuncturele werkloosheid: werkloosheid die ontstaat door onderbesteding.

structurele werkloosheid: werkloosheid die wordt bepaald door de aanbodfactoren. 



Slide 103 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Positieve externe effecten: Een extern effect waarbij de welvaart van de maatschappij toeneemt. 
Negatieve externe effecten: Een extern effect waarbij de welvaart van de maatschappij afneemt.

externe effecten
gevolgen van consumptie en productie die niet in de prijs worden meegenomen maar wel de welvaart van andere beïnvloeden.

Slide 104 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Externe effecten
Extern effect:
effect als gevolg van productie en consumptie  
Dit zit niet bij de prijs inbegrepen.

Negatieve externe effecten &
positieve externe effecten

Slide 105 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Negatieve externe effecten
Gevolgen  van productie of consumptie voor anderen (externen) die niet in de verkoopprijs meegerekend zijn, noemen we externe effecten. 
Denk aan de overlast (herrie, vervuiling) van vliegverkeer: 
de passagiers betalen alleen voor de vlucht zelf (gebruik vliegtuig, kerosine, personeel, enz) en dus 
NIET voor deze negatieve externe effecten

Slide 106 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Positieve externe effecten
De overheid zorgt ook voor productie van andere goederen (die niet collectief van aard zijn), bijvoorbeeld omdat ze positieve externe effecten hebben.


Slide 107 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Positieve externe effecten
Positieve externe effecten ontstaan vooral bij consumptie. Mensen kijken bij consumptie allen naar hun eigen behoeften en bepalen op basis daarvan hun betalingsbereidheid. Maar, door het bestaan van positieve externe effecten, profiteren ook anderen van hun consumptie. De betalingsbereidheid zou dus eigenlijk hoger moeten liggen. 

Slide 108 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Maatschappelijke kosten en baten
  • Maatschappelijke baten ==> voordelen voor de samenleving ==> positieve externe effecten.
  • Maatschappelijke kosten ==> nadelen voor de samenleving ==> negatieve externe effecten.
  • Worden niet doorberekend in de prijzen van de producten!
  • MVO= maatschappelijk verantwoord ondernemen

Slide 109 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Maatschappelijke kosten

Maatschappelijke kosten zijn de kosten van milieuvervuiling die door ons allemaal worden betaald.

Slide 110 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Maatschappelijke baten
Productie en consumptie veroorzaken maatschappelijke kosten. Vaak neemt de overheid deze kosten voor haar rekening  Als iedereen er wat aan doet om de maatschappelijke kosten omlaag te brengen, heeft de overheid minder geld nodig voor een beter milieu. Dan zou de milieubelasting op veel producten omlaag kunnen. Het gemakkelijkste wat je zelf kunt doen, is je eigen rommel opruimen. Zo ontstaat er een schoner milieu waar iedereen voordeel van heeft. Voordelen voor iedereen in de samenleving die je niet in geld kunt uitdrukken worden de 
maatschappelijke baten genoemd.

Slide 111 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies