TIJD · OVERHEID EN PENSIOEN
Quiz
Terugblik: Overheid en pensioen
TIJD · OVERHEID EN PENSIOEN
Quiz
Terugblik: Overheid en pensioen
Les 3 van 3. Leerlingen beantwoorden individueel; bespreek na elke paar vragen kort de antwoorden. Image credit: Steven Lek / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0
Welke grootheid is een voorraadgrootheid?
Het begrotingssaldo over het jaar
Het begrotingstekort in dat jaar
De staatsschuld aan het eind van het jaar
De rente die in dat jaar wordt betaald
Een voorraad meet je op één moment; saldo, tekort en betaalde rente gelden over een jaar.
De staatsschuldquote daalt van 64% naar 60%. Wat is de daling?
6,25 procentpunten
4 procentpunten
4 procent
60 procentpunten
64 - 60 = 4 procentpunten. 6,25 is de procentuele daling (4/64), niet de verandering in procentpunten.
Schuld blijft 600, bbp groeit van 1.000 naar 1.200. Wat doet de staatsschuldquote?
Hij blijft 60%, want de schuld is gelijk
Hij stijgt, want het bbp is hoger
Hij daalt van 60% naar 40%
Hij daalt van 60% naar 50%
600/1.000 = 60% en 600/1.200 = 50%. Verwachte fout: denken dat de quote alleen van de schuld afhangt.
Zet van laagste naar hoogste staatsschuldquote
Quotes: 30%, 50%, 60% en 100%.
Vul in
Over hun levensloop willen gezinnen hun consumptie gladstrijken: ze lenen als ze jong zijn en interen als ze gepensioneerd zijn.
Lenen als je jong bent, sparen als je werkt, interen als je gepensioneerd bent.
Wat hebben een gezinslening en een tekort van de overheid gemeen?
Beide worden later uit belasting terugbetaald
Beide vallen onder het Stabiliteits- en groeipact
Beide worden afgelost door toekomstige generaties
Beide verschuiven bestedingen van later naar nu
Beide zijn ruil over de tijd: nu meer besteden, later minder. Alleen de overheid heft belasting en valt onder het pact.
Een land heeft een tekortquote van 3% en een staatsschuldquote van 60%. Wat geldt?
Het schendt de eis voor het tekort
Het voldoet precies aan beide eisen
Het schendt de eis voor de schuld
Het schendt beide eisen
Het tekort mag niet boven 3% en de schuld niet boven 60% komen: precies op de grens mag.
Welke bewering over het kapitaaldekkingsstelsel klopt?
De uitkering komt uit de premies van de werkenden nu
Een kleinere groep werkenden verlaagt direct de uitkering
De uitkering hangt af van de eigen opgebouwde pot
Het stelsel is een ruil tussen twee generaties
Bij kapitaaldekking spaart elke werkende voor zichzelf. De andere beweringen horen bij het omslagstelsel.
Een brug gaat 60 jaar mee. Welke financiering past bij belastingspreiding?
Lenen en de last over de jaren verdelen
Alles in één jaar uit belasting betalen
Het tekort laten oplopen zonder ooit belasting te heffen
De belasting alleen in het eerste jaar verhogen
Belastingspreiding: lenen en over meer jaren belasting heffen, zodat het welvaartsverlies wordt gespreid en latere gebruikers meebetalen.
Leg intergenerationele ruil kort uit.
Goed: de ene generatie betaalt voor een andere, bijvoorbeeld werkenden die via het omslagstelsel de pensioenen van ouderen betalen en rekenen op de volgende generatie. Verwachte fout: sparen voor jezelf noemen.
Hoe zeker voel je je over dit onderwerp?
Heel zeker
Redelijk zeker
Niet zo zeker
Helemaal niet zeker
Gebruik de uitslag om te bepalen of je een onderdeel herhaalt.
TIJD · OVERHEID EN PENSIOEN
Goed gedaan!
Je kunt nu uitleggen hoe de overheid en gezinnen over de tijd ruilen: van staatsschuld en belastingspreiding tot pensioen tussen generaties.
Deze slide heeft geen instructies