Medisch Rekenen

Wie ben ik?

Degene die begint, is degene van wie de naam het dichtst bij de letter A ligt

Wie ben je?
Waar loop je stage?
Hobby's?
1 / 23
volgende
Slide 1: Tekstslide
VerzorgendeMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 23 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Wie ben ik?

Degene die begint, is degene van wie de naam het dichtst bij de letter A ligt

Wie ben je?
Waar loop je stage?
Hobby's?

Slide 1 - Tekstslide

Medisch rekenen

Slide 2 - Tekstslide

Wie heeft er al kennis over medisch rekenen?

Slide 3 - Woordweb

Slide 4 - Video

Waarom is medisch rekenen zo belangrijk?

Slide 5 - Open vraag

Onderwerpen medisch rekenen
Injecteren

Zuurstof 

Sondevoeding

Toets

Slide 6 - Tekstslide

Medicatie toedienen
Injecteren

Slide 7 - Tekstslide

Wat moet je straks weten?
- Wat is een injectie?
- Waaruit bestaat een injectie?
- Wat is de concentratie?
- Waar moet ik opletten bij het berekenen, zodat ik dit straks foutloos kan doen?
- Formules van het rekenen met injectie
 

Slide 8 - Tekstslide

Toedienen van medicatie
- Injecties klaarmaken
- Medicatie drankjes

BELANGRIJK!
Arts schrijft voor in IE of mg.
Bereken met wat de Arts voorschrijft.

Slide 9 - Tekstslide

Injectie = het inspuiten van een geneesmiddel dat is opgelost in een oplosmiddel

1. Lokale werking (verdovingsmiddel)
2. Snelle werking (insuline)

Niet alle geneesmiddelen wil je langs de spijsvertering

Slide 10 - Tekstslide

De hoeveelheid vloeistof die moet worden ingespoten wordt aangegeven in mililiters (ml).
 Dit is dus altijd het stukje oplosmiddel

Soms wordt ook gesproken over 'cc'
1 ml = 1 cc

Slide 11 - Tekstslide

Hoeveelheid medicijn kan aangeduid worden met:

- Gram (g of gr)
- Milligram (mg)
- Microgram = 1µg = 0,001 mg
- Milliliter (ml)
- Internationale Eenheden (I.E.)
- Eenheid (EH)

Slide 12 - Tekstslide

Oefening:
1. 1000mg= ... gr
2. 3gr= ... mg
3. 5600mg= ... gr
4. 2,5gr= ... mg

Slide 13 - Open vraag

Concentratie van een medicijn
Eigenlijk ken je het begrip concentratie al wel. Denk bijvoorbeeld aan siroop. Hoe donkerder de kleur is hoe zoeter (of sterker de smaak) de inhoud. Hoe groot het glas is maakt helemaal niet uit!

Bij medicatie is dat net zo! 
Het gaat erom hoe sterk de inhoud is, niet hoe groot de inhoud van de flacon is.

Slide 14 - Tekstslide

Slide 15 - Tekstslide

Hoe wordt de concentratie aangegeven?
De concentratie van het geneesmiddel wordt op de volgende manieren aangegeven: 
 Luminal 10 ml à 10 mg/ml
 Het streepje “/ “ betekent "per", er staat dus, 10 mg per ml. Die 10 ml geeft alleen maar aan hoe groot de hele flacon is, maar zegt niet hoe sterk de inhoud is!
   Luminal à 1 ml = 10 mg
 “=” staat voor "bevat", dus 1 ml bevat 10 mg.


Slide 16 - Tekstslide

Hoe kun je rekenen?
(voorschrift ÷ aanwezig per 1 ml)

Slide 17 - Tekstslide

Oefening 1
Een patiënt moet per injectie 15 mg Vilan krijgen.

Op het etiket van de ampullen staat:
4 ml Vilan à 4 mg/ml

Hoeveel ml injecteer je?



Slide 18 - Tekstslide

Oefening 1
(voorschrift ÷ aanwezig per 1 ml)
15 ÷ 4 = 3,75ml

Slide 19 - Tekstslide

Oefening 2
Je moet iemand 6 mg inspuiten van een bepaald medicijn. 

Je hebt in voorraad ampullen met een oplossing van 10 mg/2 ml.
   

Hoeveel ml moet je injecteren?


Slide 20 - Tekstslide

Oefening 2
(voorschrift ÷ aanwezig per 1 ml)

10 mg÷2 ml = 5 mg/ml

6 ÷ 5 = 1,2 ml

Je moet 1,2 ml inspuiten

Slide 21 - Tekstslide

Oefening 3
Een patiënt moet per dag 750 mg van een medicijn krijgen. Dit moet verdeeld worden over 3 keer. Er zijn ampullen op voorraad met 80 mg/2ml.
   

Hoeveel ml moet je per keer spuiten?


Slide 22 - Tekstslide

Oefening 3
(voorschrift ÷ aanwezig per 1 ml)

750 ÷ 3 = 250 mg per keer het medicijn krijgen
80 ÷ 2 = 40 mg/ml

250mg ÷ 40 = 6,25ml inspuiten

Slide 23 - Tekstslide