5.1

Dagopening: zoek op: Esther 6: 1-6 
Zingen: Ps 19: 7 
1 / 17
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 2

In deze les zitten 17 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Dagopening: zoek op: Esther 6: 1-6 
Zingen: Ps 19: 7 

Slide 1 - Tekstslide

In deze paragraaf leer je:
-Wat marketing is
-Wat voor markten er zijn 
- wie zorgt voor vraag en wie voor aanbod  (hoe vraag en aanbod werken)

Slide 2 - Tekstslide

Welke persoon hoort bij welke markt? 
oliemarkt
financiële markt
huizenmarkt
arbeidsmarkt
eigenaar benzine-station
iemand die werk zoekt
makelaar
bankier

Slide 3 - Sleepvraag

Marketing
Alles wat bedrijven doen om hun product te verkopen.

Bijvoorbeeld:
-Reclame maken
-Dingen laten proeven
-Gratis producten geven

Slide 4 - Tekstslide

Noem een voorbeeld van marketing die jij weleens tegen bent gekomen

Slide 5 - Open vraag

Weekmarkt

Deze kun je bezoeken. 
Er komen handelaren die spullen te koop aanbieden en consumenten om ze te kopen. 

Voorbeelden:
braderie, weekmarkt
Woningmarkt

Deze kun je niet bezoeken. 

Voorbeeld:
De woningmarkt is het toaal van alle woningen die te koop staan en mensen die op zoek zijn naar een woning. 

Slide 6 - Tekstslide

Weekmarkt
Woningmarkt

Slide 7 - Tekstslide

Vraag en Aanbod
Aanbod: alles wat producenten te koop aanbieden.

Vraag: alles wat consumenten willen kopen.

Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Tekstslide

De winkelende mensen
De winkels
Wie zorgen voor het aanbod?
Wie zorgen voor de vraag?

Slide 10 - Sleepvraag

Bij welke zin is sprake van aanbod?
A
De supermarkt heeft chocola in de aanbieding
B
Je bent op zoek naar een tweedehandse fiets

Slide 11 - Quizvraag

Vraag (alles wat je wilt hebben)
Aanbod (alles wat er te koop is)

Slide 12 - Tekstslide

De consumenten zorgen voor ...
A
Aanbod
B
Vraag

Slide 13 - Quizvraag

Op de rommelmarkt verkoop je oude spullen je zorgt voor....
A
Aanbod
B
Vraag

Slide 14 - Quizvraag

Bedrijven en vraag en aanbod
Bedrijven proberen erachter te komen waar jij vraag naar hebt (wilt hebben). Zodat ze deze producten te koop kunnen aanbieden. 

Slide 15 - Tekstslide

Het aanbod op de woningmarkt stijgt. Wat betekent dat?
A
Er komen meer huizen in de verkoop
B
Er worden minder nieuwe woningen gebouwd.
C
Meer mensen willen een huis kopen.
D
Mensen blijven langer in hetzelfde huis wonen

Slide 16 - Quizvraag

Aan de slag met huiswerk: 

Slide 17 - Tekstslide