De ontwikkeling van de kleuter

1 / 72
volgende
Slide 1: Tekstslide
GezondheidskundeMiddelbare schoolmavoLeerjaar 6

In deze les zitten 72 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 3 videos.

time-iconLesduur is: 120 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

De ontwikkeling van de kleuter
We testen eerst even jullie kennis.

Slide 2 - Tekstslide

Wanneer spreekt men van een kleuter?
A
kind tussen 1-5 jaar
B
kind tussen 3-6 jaar
C
Kind tussen 0 jaar en 18 maanden
D
Kind tussen 6-8 jaar

Slide 3 - Quizvraag

Hoeveel groeit een kleuter tussen zijn derde en vierde levensjaar?
A
2-4 cm
B
4-6 cm
C
6-8 cm
D
8-10 cm

Slide 4 - Quizvraag

Hoeveel komt een kleuter gemiddeld bij per jaar?
A
1 kg
B
2 kg
C
3 kg
D
4 kg

Slide 5 - Quizvraag

Hoeveel uur slaapt een gemiddelde peuter per nacht?
A
11-12 uur
B
8-9 uur
C
6-8 uur
D
12-14 uur

Slide 6 - Quizvraag

Welke motoriek ontwikkelt de kleuter vooral?
A
Fijne motoriek
B
Grove motoriek

Slide 7 - Quizvraag

Welk gedrag verdwijnt langzamerhand bij een kleuter.
A
Egoïstisch gedrag
B
Egocentrisch gedrag
C
Fantasiegedrag

Slide 8 - Quizvraag

Er bestaan verschilden spelvormen. Over welke spelvorm hebben we het hier: met blokken spelen
A
oefenspel
B
experimenteerspel
C
rollenspel
D
constructiespel

Slide 9 - Quizvraag

De kleuter
Wie heeft er op zijn stage in het 5de al gewerkt met kleuters?

Slide 10 - Tekstslide

Slide 11 - Video

De kleuter
  • Een kleuter is een jong kind van 3 tot 6 jaar.  
  • Over het algemeen kan men stellen dat de kleutertijd begint na de peutertijd, wanneer het kind naar de kleuterschool gaat, en eindigt rond de leeftijd van zes jaar, wanneer het kind zich meer bewust wordt, realistischer en abstracter denkt en naar het eerste leerjaar van de basisschool gaat. 

Slide 12 - Tekstslide

De ontwikkeling van de kleuter
2.1. Lichamelijke groei

Slide 13 - Tekstslide

2.1. De lichamelijke groei
Bij de kleuter is er vooral sprake van lengtegroei en spiergroei:


• In zijn derde en vierde levensjaar krijgt hij er per jaar 8 tot 10 centimter bij.
• Hij krijgt niet veel kilo’s bij. Ongeveer 3kg per jaar. 
• Het kind wordt slanker en de verhoudingen tussen ledematen, romp en hoofd krijgen meer de proportie van een volwassene.
• Op deze leeftijd wisselt ook een deel van het gebit: de melktanden maken plaats voor het definitieve gebid.

Slide 14 - Tekstslide

2.2. Slaappatroon

Slide 15 - Tekstslide

2.2. Slaappatroon
De meeste kleuters slapen ’s nachts 11 tot 12 uren aan een stuk.


De namiddagslaap valt weg.


Natuurlijk varieert dit van kind tot kind.

Slide 16 - Tekstslide

2.3. De motorische ontwikkeling

Slide 17 - Tekstslide

2.3. De motorische ontwikkeling
Tijdens de kleuterfase blijft de grove motoriek zich verder
ontwikkelen. 

Heeft de peuter bij het fietsen nog zijwieltjes nodig,
de kleuter kan het zonder

Slide 18 - Tekstslide

Geef nog een paar voorbeelden van grove motoriek:

Slide 19 - Open vraag

2.3. De motorische ontwikkeling
Het is vooral de fijne motoriek die zich verder ontwikkelt op deze leeftijd. 

Zo leert de kleuter zijn veters strikken een potlood vast te houden en gedetailleerde tekeningen te maken. 


Een belangrijke aspect van de motorische ontwikkeling is dat van de handvoorkeur.

Slide 20 - Tekstslide

Geef nog een paar voorbeelden van fijne motoriek

Slide 21 - Open vraag

De cognitieve ontwikkeling
Zijn ’wereld’ wordt steeds groter.
Al spelend leert de kleuter een hoop nieuwe dingen.


In zijn denken is hij meer geordend.

Maar, net als de peuter, bevindt de kleuter zich nog steeds in de pre-optionele fase.

Er is nog geen sprake van objectief en logisch denken.

Slide 22 - Tekstslide

2.4. De cognitieve ontwikkeling
Het denken wordt nog steeds beheerst door wat het kind waarneemt.

Vb: conservatieproeven van Piaget:

Slide 23 - Tekstslide

2.4.De cognitieve ontwikkeling
Conservatieproef aantal:

Slide 24 - Tekstslide

2.4. De cognitieve ontwikkeling
De kleuter is leergierig en graag bezig met taakjes.  

Slide 25 - Tekstslide

Slide 26 - Video

TAAL
Wat betreft de taalontwikkeling bevindt een kleuter zich in de differentiatiefase. 

Een kleuter kent de basisregels van de taal. 

Zijn woordenschat wordt groter en zijn zinnen ingewikkelder.

Hij begint interesse te krijgen in lezen en schrijven.

Slide 27 - Tekstslide

FANTASIE
Fantasie is kenmerkend voor een kleuter.

In zijn belevingswereld kan hij nog geen onderscheid maken tussen fantasie en werkelijkheid.


De kleuter gelooft nog in Sinterklaas en het merendeel geniet van sprookjes en andere fantasieverhalen.

Slide 28 - Tekstslide

2.5. De sociaal-emotionele ontwikkeling.

Slide 29 - Tekstslide

2.5. De sociaal-emotionele ontwikkeling.
SAMEN SPELEN EN SAMEN DELEN
Het egocentrisme verdwijnt langzamerhand en maakt plaats voor sociaal
gedrag. 
 De kleuter kan meeleven met anderen en is ook in staat samen te spelen. 
 De kleuter is in staat anderen te helpen, iets met anderen te delen en met anderen mee te leven. 

Slide 30 - Tekstslide

2.5. De sociaal-emotionele ontwikkeling.
STERKE IDENTIFICATIE
Imitatie speelt een belangrijke rol bij de bij de sociaal-affectieve ontwikkeling. 


Behalve imitatie is ook identificatie typerend voor de kleuter.
Hierbij bootst hij niet alleen het gedrag van iemand na, maar probeert hij deze hele persoon te zijn.

Identificatiefiguren zijn in het algemeen de moeder voor een meisje en de vader voor een jongen.

Slide 31 - Tekstslide

2.5. De sociaal-emotionele ontwikkeling.
BEGIN VAN INTERN GEWETEN

De oudere kleuter krijgt besef van wat goed of fout is, lief en stout, juist of onjuist en krijgt zo ook een schuldgevoel. 

Waar de peuter nog dacht ‘mag niet van mama’, daar denkt de kleuter ‘ik ben stout geweest’.

Slide 32 - Tekstslide

2.5. De sociaal-emotionele ontwikkeling:
Zo verwerft de kleuter een zelfbeeld: zo ben ik, dat kan ik en dat kan ik niet.
 


Is een peuter bij het onderscheiden van wat mag en niet mag nog sterk afhankelijk van de volwassenen, een kleuter kan dit onderscheid al maken op grond van zijn eigen geweten.


Zijn geweten is echter nog lang niet perfect en bovendien is een kleuter impulsief. Hij zal dus nog regelmatig ‘de fout in gaan’.


Slide 33 - Tekstslide

3. Schoolrijpheid

Slide 34 - Tekstslide

Schoolrijpheid
Wat is het? 
We bekijken een videofragment.
Vul ondertussen de vragn in de bundel in.

Slide 35 - Tekstslide

Slide 36 - Video

Schoolrijpheid
Schoolrijpheid is een belangrijke voorwaarde om goed te kunnen starten met:
* lezen 
* schrijven
* rekenen.

Slide 37 - Tekstslide

Schoolrijpheid
Schoolrijpheid omvat die vaardigheden en houdingen die een kind nodig heeft om de overgang te maken naar het eerste leerjaar. 


Elk kind ontwikkelt op zijn eigen tempo en het is zo dat niet alle domeinen even snel ontwikkelen, dat is een heel normale evolutie.  


Sommige kinderen ontwikkelen zich snel, andere kinderen ontwikkelen met sprongetjes.

Slide 38 - Tekstslide

Schoolrijpheid
3.2. Welke vaardigheden

Om de schoolrijpheid van kleuters te controleren wordt er bij 5-jarigen een test afgenomen. 

Deze test heet de toetertest. 

Slide 39 - Tekstslide

Welke vaardigheden?
Deze test bestaat uit 4 onderdelen:
visueel gedeelte: alles wat met ZIEN te maken heeft.
auditief gedeelte: alles wat met het GEHOOR te maken heeft.
rekenen.
visuomotoriek: Het omzetten van visuele waarnemingen in een motorische handeling.

Slide 40 - Tekstslide

Toeterstest: Visueel gedeelte
Detailweergave: trek een cirkel rond dezelfde vis als de linkse vis?

Richtingsverschillen: trek een cirkel rond de vis die in de andere richting zwemt

Slide 41 - Tekstslide

Toetertest: Visueel
Welke voorwerpen heb je gezien?

Slide 42 - Tekstslide

Toetertest: visueel gedeelte
Trek een cirkel rond dezelfde tekening als deze in het linkervak.

Slide 43 - Tekstslide

Toetertest: Auditief gedeelte
Trek een cirkel rond het woord dat rijmt op het voorwerp in het linkervak.

Slide 44 - Tekstslide

Toetertest: auditief
Er wordt een verhaal verteld, leg de tekeningen in juiste volgorde.

Slide 45 - Tekstslide

Toetertest: auditief
Tel de lettergrepen en kleur de bolletjes

Slide 46 - Tekstslide

Toetertest: visuomotoriek
Teken de figuur na in het linker vak.

Slide 47 - Tekstslide

Toetertest: rekenen

Slide 48 - Tekstslide

3.3. Kritiek op de toetertest
De test gaat na in welke mate de voorbereidende vaardigheden om te leren lezen, schrijven en rekenen bij een kind aanwezig zijn. 


Ze meten dus het cognitieve, maar niet de gevoelens van een kind, noch hoe het sociaal functioneert. 


Ook geeft ze geen informatie over de motoriek.

Slide 49 - Tekstslide

4. Inspelen op de ontwikkelingskenmerken van de kleuter.
De spelletjes die je met de peuters speelde worden ingewikkelder en fijner. 

De lijntjes voor de in te kleuren tekeningen worden fijner, de kleuter stelt belang in “wat” je gaat maken en de kleuter kan al beter met anderen samenspelen. 

We bekijken samen overzicht van de activiteiten.

Slide 50 - Tekstslide

4.1. Hoekenwerk in de kleuterklas
Elke kleuterklas biedt ruimte om van alles en nog wat te gaan doen en te ontdekken in de verschillende hoeken.


Kleuters houden van verandering, van nieuwe dingen en nieuwe uitdagingen.
Daar wordt in de kleuterschool heel goed op ingespeeld.

Slide 51 - Tekstslide

4.1. Hoekenwerk in de kleuterklas
Hoeken worden doorheen het jaar af en toe veranderd volgens het thema waarin gewerkt wordt.

Anderzijds is het ook zo dat er wel een zekere structuur en regelmaat in het geheel zit.
 
Op het moment dat hoekenactiviteiten aan de gang zijn kan de kleuterleid(st)er individueel kinderen ondersteunen of in kleine groepjes gaan werken.

Hoekenwerking in de eerste kleuterklas is uiteraard op een andere manier opgebouwd dan de hoekenwerking bij de oudste kleuters.

Slide 52 - Tekstslide

Verschillende soorten hoeken

Slide 53 - Tekstslide

4.2. Het kringgesprek
De kinderen zijn rijp om te leren luisteren en spreken. 
Om deze vaardigheden te oefenen kan je een kringgesprek organiseren. 

Je kiest een thema, je kan een aantal attributen meebrengen om over te spreke en je leert de kleuter de spekregels van een kringgesprek (zie cursus)

Slide 54 - Tekstslide

4.3. Voorlezen
Het vertellen van verhalen een belangrijke manier van leren voor jonge kinderen. 
Het nut van verhalen vertellen wordt steeds meer erkend. 

Tijdens en na de vertelling geeft het kind zin aan de wereld die door het verhaal wordt opgeroepen. 


Door het verhaal doet een kind informatie op en wordt de kennisbasis uitgebreid.
Door verhalen ordenen kinderen de wereld.
We overlopen de voorleestips.

Slide 55 - Tekstslide

Opdracht voorlezen
Jullie zorgden zelf voor een kleuterverhaal thema herfst.
Je leest deze in je groep voor aan de klas en je houdt rekening met de tips.

Slide 56 - Tekstslide

5. Soorten spelen.

Slide 57 - Tekstslide

5.1. Welke spelvormen kan je gebruiken.
Spelvormen zijn diverse soorten spel waardor kinderen leren.
OEFENSPEL:
Bij oefenspel probeert een kind een  onder de knie te krijgen. Daardoor leert hij zijn eigen lichaam kennen en zijn spieren en motoriek ontwikkelen.
Voorbeelden?

Slide 58 - Tekstslide

Spelvormen
EXPERIMENTEERSPEL
Bij experimenteerspel ervaart een kind de wereld en ontdekt het eigenschappen van zichzelf, andere mensen, dieren of dingen.
Voorbeelden?

Slide 59 - Tekstslide

Spelvormen
CONSTRUCTIESPEL

Onder constructiespel valt het vervormen, samenvoegen of hergroeperen van materiaal, bijvoorbeeld klei of blokken. Kinderen krijgen hierdoor zicht op ruimtelijke verhoudingen.

Slide 60 - Tekstslide

Spelvormen
ROLLENSPEL
Bij rollenspel ervaart een kind hoe het is om zich in een bepaalde situatie te gedragen. 
Kinderen leren hierdoor situaties en het gedrag van mensen kennen. 
Ook leren ze voelen hoe het is om iemand te zijn en om dingen te doen.
Er zijn verschillende niveaus: bij het imitatiespel doet het kind zijn ouder na, terwijl een kind bij anticiperend rollenspel vooruitloopt op gebeurtenissen en zelf bedenkt hoe het dan gaat.

Slide 61 - Tekstslide

Spelvormen
REGELSPEL
Onder regelspel vallen de gecoördineerde groepsspelen, waar regels bij van toepassing zijn, zoals slagbal. 
Kinderen leren hierdoor regels en afspraken toepassen en samenwerken.

Slide 62 - Tekstslide

Spelvormen
RECEPTIEF SPEL

Bij receptief spel neemt een kind informatie vanuit de buitenwereld op en verwerkt dat in zijn spel. 

Kinderen leren hierbij informatie verwerken.

Slide 63 - Tekstslide

SPELVORMEN
Opdracht cursus

Slide 64 - Tekstslide

5.2. Goed speelgoed

Slide 65 - Tekstslide

5.2. Goed speelgoed
• De leeftijd van het kind en zijn verstandelijke
ontwikkeling is bij de keuze van speelgoed van
fundamenteel belang. 

De ondervinding toont aan dat de meeste ouders hun kinderen overschatten en daardoor te veel van hen verwachten en vragen.

Slide 66 - Tekstslide

5.2. Goed speelgoed
• Het is bijzonder belangrijk dat aan de fantasie van het kind vrije speelruimte wordt geboden. 


Het kleine kind schept met eenvoudige bouwsteentjes een eigen kinderwereld, die voor de volwassenen dikwijls ontoegankelijk is.

Slide 67 - Tekstslide

5.2. Goed speelgoed
• Hoe groter de speelgoedmogelijkheden van een stuk speelgoed zijn, des te interessanter is het voor het kind.


• Het kind moet de inhoud van het spel kunnen begrijpen. De constructie en de mechanische uitvoering van het speelgoed dienen niet te ingewikkeld te zijn. 

Slide 68 - Tekstslide

5.2. Goed speelgoed
• De hoeveelheid en verscheidenheid zijn bepalend voor de speelmogelijkheden. 

Voor het bouwen zijn veel onderdelen nodig, voor het moeder-kind-spel alleen maar een pop, echter met zeer veel toebehoren

Slide 69 - Tekstslide

5.2. Goed speelgoed
• Het materiaal, waarvan het speelgoed is vervaardigd, moet in overeenstemming zijn met de leeftijd van het kind en bovendien voor het speelgoed geëigend zijn. Warmte en gemakkelijk kunnen vastgrijpen spelen in de eerste kinderjaren een grote rol


• De kleur verhoogt de prikkel die van het speelgoed uitgaat, maar al te bonte kleurschakering kan, b.v. bij boetseren en bouwen storend werken.

Slide 70 - Tekstslide

5.2. Goed speelgoed
• De duurzaamheid van het blijvend speelgoed moet opgewassen zijn tegen het dagelijks gebruik.



• De veiligheid van het speelgoed moet zijn aangepast, zowel aan de leeftijd van het kind, als aan het doel, waarvoor het materiaal is bestemd.



• De prijs moet in verhouding tot de speelwaarde en de levensduur van het speelgoed beoordeeld worden. 

Slide 71 - Tekstslide

5.2. Goed speelgoed
Opdracht

Slide 72 - Tekstslide