cross

SK_les 6_herh H4_zouten voor zuurbase

Herhaling H4 Zouten
1 / 46
volgende
Slide 1: Tekstslide
ScheikundeMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

In deze les zitten 46 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Herhaling H4 Zouten

Slide 1 - Tekstslide

Leerdoelen
Na afloop van de les
  • ken je de namen en formules van tabel 4.1 en 4.2
  • kun je een verhoudingsformule van een zout opstellen 
  • kun je een oplosvergelijking geven
  • kun je rekenen aan (zout)oplossingen en de begrippen concentratie en molariteit

Slide 2 - Tekstslide

Opfrissen voorkennis

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Tekstslide

Leer deze enkelvoudige ionen uit je hoofd 
(formule + lading)

Slide 5 - Tekstslide

Samengestelde ionen

Een samengesteld ion is een groepje atomen met een lading
.

Bij het oplossen van een zout valt dit groepje niet uit elkaar.

Bij het opstellen van de zoutformule let je alleen op de lading rechtsboven en negeer je de andere getallen



Slide 6 - Tekstslide

Leer deze tabel uit je hoofd

Slide 7 - Tekstslide

Wat is de formule van nitraat?
A
NO32
B
NO3
C
NO22
D
NO2

Slide 8 - Quizvraag

wat is de formule van sulfaat?
A
SO32
B
SO3
C
SO42
D
SO4

Slide 9 - Quizvraag

Wat is de formule van hydroxide?
A
O2
B
OH
C
O
D
OH2

Slide 10 - Quizvraag

wat is de formule van sulfiet?
A
SO32
B
SO3
C
SO42
D
SO4

Slide 11 - Quizvraag

Wat is de formule van nitriet?
A
NO32
B
NO3
C
NO22
D
NO2

Slide 12 - Quizvraag

opstellen zoutformules
Bekijk het volgende filmpje met de uitleg over het opstellen van verhoudingsformules van zouten als je niet meer weet hoe dit moet

Slide 13 - Tekstslide

Slide 14 - Video

wat is de formule van natriumcarbonaat?
A
NaCO3
B
Na2CO32
C
Na2CO3
D
Na2(CO3)2

Slide 15 - Quizvraag

Wat is de formule van aluminiumhydroxide?
A
AlOH
B
AlOH3
C
AlOH2
D
Al(OH)3

Slide 16 - Quizvraag

wat is de formule van ammoniumsulfaat?
A
(NH4)2SO4
B
(NH4)(SO4)
C
NH4SO4
D
NH4(SO4)2

Slide 17 - Quizvraag

Wat is de formule van ijzer(III)oxide?
A
Fe3O2
B
Fe2O3
C
FeO2
D
3FeO

Slide 18 - Quizvraag

Wat is de juiste naam van FeO?
A
ijzer(III)oxide
B
ijzer(II)oxide
C
ijzeroxide

Slide 19 - Quizvraag

Wat is de juiste naam voor
Pb(SO4)2
A
lood(IV)sulfaat
B
lood(II)sulfaat
C
di-loodsulfaat
D
lood-disulfaat

Slide 20 - Quizvraag

Wat is de juiste naam voor
Al2(CO3)3
A
di-aluminium-tri-carbonaat
B
aluminium(II)carbonaat
C
aluminiumcarbonaat
D
aluminium(III)carbonaat

Slide 21 - Quizvraag

Oplossen  van zouten
In de animatie hiernaast zie je wat er op microniveau gebeurt als een zout goed oplosbaar is in water: de ionen laten elkaar los en worden omringd door moleculen water

Slide 22 - Tekstslide

Het omringen door watermoleculen noem je hydratatie
Let goed op de oriëntatie van de watermoleculen!

Slide 23 - Tekstslide

oplosvergelijking
voor de pijl:               na de pijl:
vast zout              zoutopLOSsing

NaCl(s)   -->  Na+ (aq)  +  Cl-(aq)

ionen aan                  ionen
elkaar vast                 LOS

Slide 24 - Tekstslide

oplosvergelijking van aluminiumsulfaat: alle ionen laten elkaar los, er ontstaan 2 losse aluminiumionen en 3 losse sulfaationen
Voorbeeld: Geef de oplosvergelijking van 
                     aluminiumsulfaat
1. noteer eerst de juiste verhoudingsformule van de stof voor de pijl
2. Noteer daarna de losse ionen MET lading erbij na de pijl. 

3. Vergeet niet kloppend te maken. Zet de getallen op de juiste plek

Slide 25 - Tekstslide

Welke deeltjes zorgen voor stroomgeleiding in een zoutoplossing?
A
atomen
B
moleculen
C
ionen
D
elektronen

Slide 26 - Quizvraag

Wat gebeurt er op microniveau bij het oplossen van een zout?
A
de ionen gaan harder trillen
B
de ionen laten elkaar los en gaan vrij bewegen
C
de ionen gaan in een rooster zitten
D
de zoutkorrels verdwijnen

Slide 27 - Quizvraag

Gebruik bij de volgende opgaven Binas45A

Slide 28 - Tekstslide

Welk zout lost het beste op?
Gebruik Binas 45A
A
natriumchloride
B
calciumcarbonaat
C
calciumsulfaat

Slide 29 - Quizvraag

Welke 3 positieve ionen geven altijd een goed oplosbaar zout? Gebruik Binas 45A

Slide 30 - Open vraag

Welk negatief ion geeft altijd een goed oplosbaar zout? Gebruik Binas 45A

Slide 31 - Open vraag

Geef de oplosvergelijking van calciumethanoaat

Slide 32 - Open vraag

Geef de oplosvergelijking van zinknitraat

Slide 33 - Open vraag

Wat betekent de letter in Binas 45A bij de volgende metaaloxiden:
Na2O,K2O,CaO,BaO

Slide 34 - Open vraag

Leg uit waarom deze metaaloxiden met water reageren. Gebruik tabel 1 uit hoofdstuk 7.1

Slide 35 - Open vraag

4.4 Rekenen aan oplossingen 

Slide 36 - Tekstslide

Concentratie
  • Hoeveelheid stof wat aanwezig is in een bepaald volume.
  • In oplossingen of gasmengsels.
  • Eenheid bijv. gram per liter (g/L) of mol per liter (mol/L).
  • Molariteit (M)= concentratie in mol/L

mM = millimolair = millimol per liter



Slide 37 - Tekstslide

Molariteit

  • De notatie [formule] wordt gebruikt om de molariteit van een oplossing aan te geven.
  • Bijv. [H+]=0,10 M
  • Hier staat: de concentratie/molariteit van H+ ionen is 0,10 mol per liter oplossing.
  • Je zegt ook wel: de concentratie is 0,10 molair.



Slide 38 - Tekstslide

Even oefenen
Er wordt 5,00 gram azijnzuur (CH3COOH) opgelost in 250 mL water. Bereken de molariteit van deze oplossing.
Aanpak manier 1
stap 1: hoeveel mol komt overeen met 5,00 gram azijnzuur?
stap 2: als dit in 250 mL zit,hoeveel zit er dan in 1 L? Dit is dus mol per L.
Aanpak manier 2
stap 1: 5,00 gram in 250 mL, hoeveel gram is dat in 1L?
stap 2: reken deze hoeveelheid gram om naar mol en je hebt mol per L.


Slide 39 - Tekstslide

Even oefenen
Er wordt 5,00 gram azijnzuur (CH3COOH) opgelost in 250 mL water. Bereken de molariteit van deze oplossing.

Antwoord
n = 5,00 g / 60,053 g/mol = 0,083 mol
[CH3COOH] = 0,083 mol / 0,250 L = 0,33 mol/L (of 0,33 M)


Slide 40 - Tekstslide

Je lost 1,30 mol keukenzout (NaCl) op in 6,0 liter water. Bereken de molariteit van de oplossing die ontstaat.

Slide 41 - Open vraag

Je lost 1,42 mol glucose op in 2,50 liter water. Bereken [ C6H12O6 ].
A
0,6 M
B
1,8 M
C
0,568 M
D
1,76 M

Slide 42 - Quizvraag

Je lost 0,056 mol Na2SO4 op in 1,500 liter water. De molverhouding tussen Na2SO4 en Na+ = 1 : 2. Bereken [ Na+ ].

Slide 43 - Open vraag

Je lost 0,348 mol Na3PO4 op in 4,20 liter water. Geef eerst de oplosvergelijking van Na3PO4 en bereken dan [ Na+ ].

Slide 44 - Open vraag

Well Done!

Slide 45 - Tekstslide

Heb je nog een vraag over deze les? Noteer hem dan hier.

Slide 46 - Open vraag