De Verlichting (1650-1789)

De Verlichting (1650-1789)
De Verlichting (1650-1789)
1 / 19
volgende
Slide 1: Tekstslide
GeschiedenisMiddelbare schoolvwoLeerjaar 5

In deze les zitten 19 slides, met interactieve quiz en tekstslides.

time-iconLesduur is: 90 min

Onderdelen in deze les

De Verlichting (1650-1789)
De Verlichting (1650-1789)

Slide 1 - Tekstslide

HC 2
  1. Welke ideeën ontstonden tijdens de Verlichting over een meer rechtvaardige samenleving (1650-1789)?
  2. Hoe werden verlichte ideeën tijdens de democratische revoluties in de Verenigde Staten en Frankrijk in de praktijk gebracht (1776–1813)?
  3. In welke mate bepaalden verlichtingsideeën de politieke cultuur in Europa (1813-1900)?

Slide 2 - Tekstslide

Doelen
Aan het einde van de les kan ik:
  • Beschrijven welke nieuwe ideeën ontstonden over de samenleving, godsdienst en politiek.
  • Uitleggen op welke manier de politieke cultuur veranderde.
  • De kern van de leer van Descartes, Rousseau, Locke en Montesquieu uitleggen

Slide 3 - Tekstslide

Ontstaan
De Verlichting komt uit een lange ontwikkeling.
  1. De wetenschappelijke revolutie leidde tot nieuwe inzichten over mens en natuur.
  2. De ontdekkingsreizen zorgde voor een nieuwe kijk op de wereld.
  3. Door het humanisme werden bestaande ideeën in twijfel getrokken.
  4. Er barstte een discussie los over het vergaren van kennis: empirisme/rationalisme

Slide 4 - Tekstslide

Ontstaan
5. Een kruisbestuiving tussen ambacht en wetenschap.

Kennis en rede, het rationalisme, moet worden toegepast op de alle aspecten van de samenleving.

Hierdoor komt het traditionele geloof onder druk te staan.

Slide 5 - Tekstslide

Godsdienst
Newton's "ontdekking" van de zwaartekracht droeg bij aan het idee van natuurwetten:
vaststaande, universele, wetten.

Hoe past een actieve God binnen deze natuurwetten?

Godsdienst zou een persoonlijke, individuele keuze moeten zijn, niet opgelegd door de vorst/staat. 

Slide 6 - Tekstslide

Samenleving
De natuurwetten leidden ook tot de conclusie dat iedereen gelijk zou moeten zijn.

Hoe past een standensamenleving bij gelijkheid?

Niet de aangeboren positie is belangrijk, maar wat je doet moet je positie bepalen.

Vrijheid, gelijkheid, zelfbeschikking. 

Slide 7 - Tekstslide

Politiek
Absolutisme komt onder druk te staan door Verlichting.
Ideeën botsten met centralisatie en droit divin.

Dus: censuur en onderdrukking. 

Ondanks (of dankzij) verspreiden de ideeën van Engeland en de Republiek naar Frankrijk.

Verlicht absolutisme biedt vorsten een tijdelijke oplossing.

Slide 8 - Tekstslide

Luchtballon
Acht Verlichtingsfilosofen zitten in een luchtballon. 
Eén mag blijven zitten, zeven worden eruit gebonjourd. 

1. Onderbouw waarom jouw filosoof mag blijven. Pitch van één minuut. 
Tien minuten voorbereiden.
2.  Onderbouw waarom de anderen eruit moeten. Pitch van één minuut.
Vijf minuten voorbereiden.

Slide 9 - Tekstslide

Descartes
René Descartes (1596-1650) wordt gezien als grondlegger van het rationalisme

In Leiden schrijft hij de Verhandeling over de methode, één van de eerste natuurwetenschappelijke onderzoeken.

Daarmee staat hij aan de basis van de moderne wetenschapsfilosofie. 

Cogito ergo sum.

Slide 10 - Tekstslide

Spinoza
Baruch Spinoza (1632-1677) staat aan de basis van de Radicale Verlichting. 

 In zijn Ethica beschrijft hij dat de traditionele, actieve God niet bestaat. God en de natuur zijn één. 

Maakt in 1672 de moord op de gebroeders De Witt mee: schokt hem zeer.
Ultimi Barbarorum.

Slide 11 - Tekstslide

Hobbes
Thomas Hobbes (1588-1679) schrijft zijn Leviathan tijdens de Engelse Burgeroorlog.

Een sterke, absolute vorst is noodzakelijk voor een veilige samenleving.  
Burgers geven vrijwillig deze macht aan de vorst in ruil voor veiligheid.

Bellum omnium contra omnes

Slide 12 - Tekstslide

Locke
John Locke (1632-1704) is één van de grondleggers van het liberalisme

Vorst en volk sluiten een sociaal contract
De vorst beschermt het volk op basis van wetten. Het volk houdt zich aan deze wetten.
Plakkaat van Verlatinghe én Declaration of independence.

Daarmee is Locke tegen het absolutisme en vóór de constitutionele monarchie.


Slide 13 - Tekstslide

Montesquieu
Charles Montesquieu (1689-1755) schrijft tegen het absolutisme.

Om machtsmisbruik te voorkomen moet de macht gescheiden zijn: Trias Politica
1. Wetgevend.
2. Uitvoerend.
3. Rechtsprekend. 

Moderne democratieën zijn gebaseerd op de Trias Politica. 

Slide 14 - Tekstslide

Voltaire
Voltaire (1694-1778) staat voor de gematigde Verlichting.

Kritisch op de kerk en standensamenleving maar wijst religie niet af.
Kerk en staat moet gescheiden worden.

Lang voorstander van Verlicht absolutisme, maar teleurgesteld door Frederik de Grote. 

Zijn Candide is kritisch over kerk én staat.

Slide 15 - Tekstslide

Rousseau
Jean-Jacques Rousseau (1712-1778) werkt het sociaal contract verder uit.

Een parlement moet in naam van het volk de algemene wil uitvoeren.
Het volk heeft hiermee de hoogste macht: de volkssoevereiniteit

Kritiek: kan leiden tot dictatuur van de meerderheid of totalitaire democratie. 

Slide 16 - Tekstslide

Smith
Adam Smith (1723-1790) is de grondlegger van de moderne economie.

Overheid moet zich niet bemoeien met de economie.
Laissez-faire ipv mercantilisme. 

Vraag en aanbod reguleert de markt, zal zorgen voor welvaart.

Individuele economische vrijheid.

Slide 17 - Tekstslide

Kant
Immanuel Kant (1724-1804) combineert rationalisme en empirisme.

Eén van de twee leidt tot extremisme.

Ervaring moet gekoppeld worden aan rede. 

Probeert de tegenstelling tussen rationalisme en empirisme te boven te komen.

Slide 18 - Tekstslide

Kant
Montesquieu
Locke
Rousseau
Hobbes
Spinoza
Smith
Trias Politica
Absolutisme
Sociaal contract
Algemene wil
Godsdienst
Vrijhandel
Rationalisme + empirisme

Slide 19 - Sleepvraag