cross

5 K3 Spelling: meervoud

GIDS NEDERLANDS
INFORMATIE VOOR LESSEN NEDERLANDS
1 / 40
volgende
Slide 1: Tekstslide
Nederlandsvmbo kLeerjaar 3

In deze les zitten 40 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

GIDS NEDERLANDS
INFORMATIE VOOR LESSEN NEDERLANDS

Slide 1 - Tekstslide

DOEL

- je kunt meervouden correct spellen
spelling: meervoud

Slide 2 - Tekstslide

Slide 3 - Video

Wat zijn de drie meest voorkomende manieren waarop het meervoud van een zelfstandig naamwoord wordt gemaakt?

Slide 4 - Open vraag

Wat moet je doen om een afkorting in het meervoud te zetten?

Slide 5 - Open vraag

Als zelfstandige naamwoorden in het enkelvoud eindigen op -ee, dan voeg je in het meervoud -ën toe aan het woord. Geef een voorbeeld.

Slide 6 - Open vraag

Ligt de klemtoon wel op -ie, dan schrijf je zet je er -ën achter. Geef een voorbeeld.

Slide 7 - Open vraag

Je schrijft ’s (apostrof + s) als anders een verkeerde uitspraak zou ontstaan. Geef een voorbeeld.

Slide 8 - Open vraag

Soms heeft een woord twee verschillende meervoudsuitgangen. Geef een voorbeeld.

Slide 9 - Open vraag

Bepaalde woorden op -man (vooral bij beroepen) krijgen in het meervoud -lieden of -lui. Geef een voorbeeld.

Slide 10 - Open vraag

Soms is er alleen maar een enkelvoud of een meervoud. Geef een voorbeeld.

Slide 11 - Open vraag

Wat is goed?
A
groenten
B
groentes
C
allebei goed
D
allebei fout

Slide 12 - Quizvraag

Wat is goed?
A
tweën
B
tweeën
C
twëen
D
tweëen

Slide 13 - Quizvraag

Wat is goed?
A
driën
B
drieën
C
driëen
D
drieëen

Slide 14 - Quizvraag

Wat is goed?
1 graf
A
2 graaven
B
2 grafen
C
2 graffen
D
2 graven

Slide 15 - Quizvraag

Wat is goed?
A
kommaas
B
kommas
C
komma's
D
kommaa's

Slide 16 - Quizvraag

Noteer het meervoud van het woord.

vork

Slide 17 - Open vraag

Noteer het meervoud van het woord.

krat

Slide 18 - Open vraag

Noteer het meervoud van het woord.

hengel

Slide 19 - Open vraag

Noteer het meervoud van het woord.

fout

Slide 20 - Open vraag

Noteer het meervoud van het woord.

twee

Slide 21 - Open vraag

Noteer het meervoud van het woord.

heer

Slide 22 - Open vraag

Noteer het meervoud van het woord.

bobslee

Slide 23 - Open vraag

Noteer het meervoud van het woord.

avocado

Slide 24 - Open vraag

Noteer het meervoud van het woord.

oma

Slide 25 - Open vraag

Noteer het meervoud van het woord.

school

Slide 26 - Open vraag

Noteer het meervoud van het woord.

dvd

Slide 27 - Open vraag

Noteer het meervoud van het woord.

ster

Slide 28 - Open vraag

Noteer het meervoud van het woord.

pc

Slide 29 - Open vraag

Noteer het meervoud van het woord.

farao

Slide 30 - Open vraag

Noteer het meervoud van het woord.

ree

Slide 31 - Open vraag

Noteer het meervoud van het woord.

raam

Slide 32 - Open vraag

Groente wordt in het meervoud groenten of groentes.
Het meervoud van hoogte wordt dus
_____________ of _______________ .

Slide 33 - Open vraag

Museum wordt in het meervoud museums of musea.
Het meervoud van jubileum wordt dus
_____________ of _______________ .

Slide 34 - Open vraag

Datum wordt in het meervoud datums of data.
Het meervoud van centrum wordt dus
_____________ of _______________ .

Slide 35 - Open vraag

Zeeman wordt in het meervoud zeemannen, zeelui of zeelieden.
Het meervoud van vakman wordt dus
_________, _________ of _________ .

Slide 36 - Open vraag

GELEERD?

- je kunt meervouden correct spellen
spelling: meervoud

Slide 37 - Tekstslide

Schrijf één ding op wat je deze les hebt geleerd en niet meer vergeet.

Slide 38 - Open vraag

Stel één vraag over iets dat je nog niet zo goed
hebt begrepen.

Slide 39 - Open vraag

GIDS NEDERLANDS
INFORMATIE VOOR LESSEN NEDERLANDS

Slide 40 - Tekstslide