Future

Future tense
1 / 16
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 1

In deze les zitten 16 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Future tense

Slide 1 - Tekstslide

Lesson aims
  • After this lesson you will know how to use the future tense using the word will
  • After this lesson you will know  how to ask questions in the future tense using the word will 
  • After this lesson you will know how to make denial sentences in the future tense using will

Slide 2 - Tekstslide

Will + full verb
Wanneer gebruik je voor de toekomende tijd will? 
  • Als je niet zeker weet of iets gaat gebeuren in de toekomst 
  • Wanneer er iets spontaan gebeurd

Wat is de vertaling?
  • In het Nederlands vertaal je will naar zullen of zal

Slide 3 - Tekstslide

Voorbeelden 
  • In the future, I will be a pilot 
  • When she grows up, she will live in England 
  • In a few years, I'll travel to South-Africa

Slide 4 - Tekstslide

Ontkenning met will
Hoe maak je een ontkenning in de toekomende tijd met will?
  • Will not + full verb
  • Won't + full verb


Slide 5 - Tekstslide

Voorbeelden
  • They will not go to the cinema tomorrow.
  • She won't eat pasta tonight. 
  • We won't be at your party next week. 

Slide 6 - Tekstslide

Vragen met will
Wanneer maak je vragen met will?
  • Wanneer je wil weten of er iets zal gaan gebeuren in de toekomende tijd. 
Hoe maak je een vraag in de toekomende tijd met will?
  • Zet will aan het begin van de zin
  • Het onderwerp komt na will

Slide 7 - Tekstslide

Voorbeelden 
Zullen jullie aankomende zomer op vakantie gaan naar London?
- Will you go to London this summer? 

Zullen we wandelen met de honden morgen?
- Will we walk the dogs tomorrow? 

Slide 8 - Tekstslide

Hoe zeg je:
Over een paar jaar zullen we heel rijk zijn.
A
In a few years, we WERE very rich.
B
In a few years, we ARE very rich.
C
In a few years, we WILL BE very rich.
D
In a few years, we WON'T be very rich.

Slide 9 - Quizvraag

Kies de juiste vorm van WILL:
They ..... find the gold. They don't have a map.
A
will not
B
will
C
'll

Slide 10 - Quizvraag

Hoe zeg je (meerdere antwoorden mogelijk):
Morgen zal hij naar de winkel lopen.
A
Tomorrow, he WILL WALK to the store.
B
Tomorrow, he'LL WALK to the store.
C
Tomorrow, he WALKS to the store.
D
Tomorrow, he WALKED to the store.

Slide 11 - Quizvraag

Kies de juiste vorm van WILL:
He ....... fail the test. He studied hard.
A
will
B
won't
C
'll

Slide 12 - Quizvraag

Kies de juiste vorm van WILL:
She .... become a professor. She is very smart.
A
won't
B
will not
C
will

Slide 13 - Quizvraag

Maak deze zin vragend:
You will be an actress when you grow up.

Slide 14 - Open vraag

Hoe goed snappen jullie nu de future tense met will + full verb?
😒🙁😐🙂😃

Slide 15 - Poll

Waarmee kan je nu aan de slag?
Zie de planner van ITSlearning (deze week) voor oefeningen!

Slide 16 - Tekstslide