Quiz: beroepen, plekken & dingen
Quiz: beroepen, plekken & dingen
Doel van deze les
Aan het eind van deze les kun je de betekenis van veel woorden. Ook kun je de woorden goed schrijven. Je kunt de woorden bij de plaatjes zoeken.
Beroepen
dokter
meester
bakker
kapper
Plekken
Wat staat er op de zolder?
schilderij
voetbal
zooi
Waar kun je op zitten ?
Wat stuur je weg? Of krijg je soms van de post?
Sleepvraag
Knie
Tong
Vinger
Pols
Sleepvraag
knie
tong
vinger
pols
Lichaamsdelen: vul het juiste woord in
Ik laat vier foto’s zien. Op foto 1 zie je een knie. Op foto 2 zie je een tong. Op foto 3 zie je een vinger. Op foto 4 zie je een pols.
Dingen in het lokaal
Klas, klok, krant. Waar zie je deze dingen?
Eten en drinken
Taart, rijst, groentesoep. Welke vind jij lekker?
Bijzondere dingen
Ring, bril, broek. Kun je uitleggen wat het is?
Kleuren en vormen
Kort, groot, jong, oud.
Vormen
Bruin, grijs, rood, zwart.
Kleuren
Lastige woorden met kn- en kr-
krat, kraan, krant, kruk.
knie, knoppen, knip, knoeien.
kr-
kn-
Woorden met -ng en -nk
bank, plank, links, winkel, drinken.
gang, bang, jong, hangen, jongen.
-nk
-ng
Sleepvraag: lichaamsdelen
Sleep het juiste woord naar het juiste plaatje: knie, tong, vinger, pols.
Typopdracht: beroepen
Bekijk het plaatje en typ het juiste beroep: dokter, bakker of meester.
Sleepvraag: alles over kleuren
Sleep de woorden naar het juiste kleurvlak: rood, bruin, grijs, zwart.
Typopdracht: dingen in huis
Typ het juiste woord bij het plaatje: deur, klok, zolder, gang.
Sleepvraag: eten en drinken
Sleep deze woorden naar het juiste plaatje: taart, soep, rijst.
Typopdracht: sport en vrije tijd
Typ het juiste woord: voetbal, rugtas, zwembad, sportschoen.
Open vraag 1
Schrijf een zin met het woord: vinger.
Open vraag 2
Wanneer heb jij hoofdpijn? Schrijf je antwoord.
Open vraag 3
Wat doe je als je dorst hebt?
Open vraag 4
Waar zie je een bakker? Schrijf het op.
Open vraag 5
Noem een plek waar je een vriend ontmoet.
Einde van de quiz
Goed gedaan! Welke woorden vond je lastig? Bespreek het in de klas.
Schrijf 3 dingen op die je deze les hebt geleerd.
Schrijf 2 dingen op waarover je meer wilt weten.
Stel 1 vraag over iets dat je nog niet zo goed hebt begrepen.