De begrippen zoals inleiding, onderwerp, tekstdoel, en hoofdgedachte, tekstverbanden
Slide 2 - Tekstslide
In deze les bespreken we
de vragen die te maken hebben
met argumentatie.
Slide 3 - Tekstslide
De teksten in het examen zijn vooral argumentatieve teksten.
Dat betekent dat je tijdens het lezen goed moet bedenken:
Wie zegt wat?
Wordt dat onderbouwd?
Welke andere meningen zijn er?
Slide 4 - Tekstslide
Standpunten
Slide 5 - Tekstslide
Soorten standpunten
Standpunt: Ander woord voor mening.
Als je het ergens mee eens bent is het een positief standpunt. Als je het er mee oneens bent een negatief standpunt.
Bij standpunt van twijfel weet je niet wat je ergens van moet vinden.
Slide 6 - Tekstslide
Argumenten en tegenargumenten
Slide 7 - Tekstslide
Soorten argumenten
Feitelijk argument: als iemand zijn standpunt ondersteunt met een feitelijke uitspraak.
Ik ga liever niet mee naar Parijs (standpunt),
want Parijs is een grote dichtbevolkte stad --> argument (feit).
Slide 8 - Tekstslide
Soorten argumenten
Waarderend argument: over een waarderend argument kun je van mening verschillen, over een feitelijk argument niet. Een waarderend argument moet daarom vaak ondersteund worden.
Ik ga graag mee naar Parijs (standpunt),
want Parijs heeft de mooiste musea van de wereld --> argument (waardering)
Slide 9 - Tekstslide
Slide 10 - Tekstslide
Slide 11 - Tekstslide
Argumentatieschema's
Argumentatiestructuren
Aanvaardbaarheid
Drogredenen
Slide 12 - Tekstslide
Argumentatieschema's
= welk verband is er tussen argumenten
blz. 106 leerboek
Slide 13 - Tekstslide
Argumentatie
Argumentatie = het geheel van argumenten en standpunt.
Argumentatieschema: de aard van het verband tussen argument(en) en standpunt
Slide 14 - Tekstslide
Argumentatieschema
(blz. 106) Argumentatie op basis van...
oorzaak en gevolg
kenmerk of eigenschap
voor- en/of nadelen
voordelen
vergelijking
autoriteit
Slide 15 - Tekstslide
Slide 16 - Tekstslide
Slide 17 - Tekstslide
Argumentatiestructuur
= hoe de argumentatie is opgebouwd
blz. 104 leerboek
Slide 18 - Tekstslide
Opbouw van argumentatie
blz. 105 leerboek
Enkelvoudig
Nevenschikkend (naast elkaar)
Onderschikkend (onder elkaar - subarg)
Slide 19 - Tekstslide
Slide 20 - Tekstslide
Slide 21 - Tekstslide
Slide 22 - Tekstslide
Slide 23 - Tekstslide
Slide 24 - Tekstslide
Aanvaardbaarheid
= argumentatie beoordelen
Zijn de argumenten relevant?
Wat kun je je als kritische lezer afvragen?
Zijn bronnen betrouwbaar?
Zijn de feiten controleerbaar?
Zijn de waarderende argumenten aanvaardbaar?
Slide 25 - Tekstslide
Slide 26 - Tekstslide
Slide 27 - Tekstslide
Verkeerde vergelijking : twee zaken worden vergeleken terwijl er geen overeenkomsten zijn tussen de twee elementen.
Slide 28 - Tekstslide
Verzwegen argument
Hoe achterhaal je die?
vb: Die lessen zijn saai, want de docent praat veel.
Dus als een docent veel praat, dan zijn de lessen saai?
vb: Ik vind dat ik dat mag, want mijn vrienden mogen het ook.
Dus als andere ouders het goedvinden, dan mag jij het ook?