5H - Examentraining - Argumenteren

Nederlands

Argumentatieve vaardigheden
1 / 32
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 5

In deze les zitten 32 slides, met tekstslides.

Onderdelen in deze les

Nederlands

Argumentatieve vaardigheden

Slide 1 - Tekstslide

De vragen gaan over

  • De tekst en of je die begrijpt
  • De argumentatie in de tekst
  • De begrippen zoals inleiding, onderwerp,
    tekstdoel, en hoofdgedachte, tekstverbanden

Slide 2 - Tekstslide

In deze les bespreken we 
de vragen die te maken hebben 
met argumentatie.

Slide 3 - Tekstslide

De teksten in het examen zijn vooral argumentatieve teksten.
Dat betekent dat je tijdens het lezen goed moet bedenken: 

Wie zegt wat? 
Wordt dat onderbouwd?
Welke andere meningen zijn er?

Slide 4 - Tekstslide

Standpunten

Slide 5 - Tekstslide

Soorten standpunten
Standpunt: Ander woord voor mening. 

Als je het ergens mee eens bent is het een positief standpunt. Als je het er mee oneens bent een negatief standpunt
Bij standpunt van twijfel weet je niet wat je ergens van moet vinden.

Slide 6 - Tekstslide

Argumenten en tegenargumenten

Slide 7 - Tekstslide

Soorten argumenten

Feitelijk argument: als iemand zijn standpunt ondersteunt met een feitelijke uitspraak. 

Ik ga liever niet mee naar Parijs (standpunt),
want Parijs is een grote dichtbevolkte stad --> argument (feit).

Slide 8 - Tekstslide

Soorten argumenten
Waarderend argument: over een waarderend argument kun je van mening verschillen, over een feitelijk argument niet. Een waarderend argument moet daarom vaak ondersteund worden. 

Ik ga graag mee naar Parijs (standpunt),
want Parijs heeft de mooiste musea van de wereld --> argument (waardering)

Slide 9 - Tekstslide

Slide 10 - Tekstslide

Slide 11 - Tekstslide

Argumentatieschema's
Argumentatiestructuren
Aanvaardbaarheid
Drogredenen

Slide 12 - Tekstslide

Argumentatieschema's
= welk verband is er tussen argumenten


blz. 106 leerboek

Slide 13 - Tekstslide

Argumentatie
Argumentatie = het geheel van argumenten en standpunt.
Argumentatieschema: de aard van het verband tussen argument(en) en standpunt

Slide 14 - Tekstslide

Argumentatieschema
 (blz. 106)  Argumentatie op basis van...
  • oorzaak en gevolg
  • kenmerk of eigenschap
  • voor- en/of nadelen
  • voordelen
  • vergelijking
  • autoriteit

Slide 15 - Tekstslide

Slide 16 - Tekstslide

Slide 17 - Tekstslide

Argumentatiestructuur
= hoe de argumentatie is opgebouwd


blz. 104 leerboek

Slide 18 - Tekstslide

Opbouw van argumentatie
blz. 105 leerboek

Enkelvoudig
Nevenschikkend  (naast elkaar)
Onderschikkend (onder elkaar - subarg)

Slide 19 - Tekstslide

Slide 20 - Tekstslide

Slide 21 - Tekstslide

Slide 22 - Tekstslide

Slide 23 - Tekstslide

Slide 24 - Tekstslide

Aanvaardbaarheid
= argumentatie beoordelen

Zijn de argumenten relevant?
Wat kun je je als kritische lezer afvragen?
Zijn bronnen betrouwbaar?
Zijn de feiten controleerbaar?
Zijn de waarderende argumenten aanvaardbaar?


Slide 25 - Tekstslide

Slide 26 - Tekstslide

Slide 27 - Tekstslide

Verkeerde vergelijking : twee zaken worden vergeleken terwijl er geen overeenkomsten zijn tussen de twee elementen.

Slide 28 - Tekstslide

Verzwegen argument
Hoe achterhaal je die?

vb: Die lessen zijn saai, want de docent praat veel.
Dus als een docent veel praat, dan zijn de lessen saai?

vb: Ik vind dat ik dat mag, want mijn vrienden mogen het ook.
Dus als andere ouders het goedvinden, dan mag jij het ook?

Slide 29 - Tekstslide

Drogredenen
(moet je kunnen herkennen)

blz. 108 leerboek
LEREN
(paragraaf 11 examenbundel)

Slide 30 - Tekstslide

Slide 31 - Tekstslide

Slide 32 - Tekstslide