Eindtoets 5 vraag 7, 8 en 9

Prinsjesdag en de Nederlandse economie

1 / 12
volgende
Slide 1: Slide
newEditorBedrijfseconomieVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 6

In deze les zitten 12 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 1 min

Onderdelen in deze les

Prinsjesdag en de Nederlandse economie

Elk jaar, op de derde dinsdag in september, presenteert de regering haar plannen en de begroting voor komend jaar. Daarna wordt er in de Tweede Kamer over de belangrijkste punten uit de begroting gesproken. Dit zijn de Algemene Politieke Beschouwingen. Over de begroting zijn politieke partijen het niet altijd eens


De derde dinsdag van september wordt in Nederland Prinsjesdag genoemd.

Maak de zinnen kloppend door de juiste woorden te kiezen.

 

Op Prinsjesdag presenteert de minister van …(1)… (Economische Zaken / Financiën) de ...(2)... (Miljoenennota / Troonrede). Dit is een samenvatting van de ...(3)... (rijksbegroting / rijksinkomsten).

Wat is Prinsjesdag?

Prinsjesdag vindt elk jaar plaats op de derde dinsdag van september. De koning leest dan de troonrede voor en de regering presenteert de miljoenennota.

Wat is de miljoenennota?

De miljoenennota is een samenvatting van de plannen van de regering voor het komende jaar en hoeveel geld dat kost. Hieruit blijkt waar de overheid in wil investeren.

De troonrede

De koning leest in de troonrede voor wat de regering in het komende jaar belangrijk vindt. Het gaat vooral over beleid voor Nederland.

E


De derde dinsdag van september wordt in Nederland Prinsjesdag genoemd.

Maak de zinnen kloppend door de juiste woorden te kiezen.

 

Op Prinsjesdag presenteert de minister van Financiën de Miljoenennota. Dit is een samenvatting van de rijksbegroting.

Sommige politici vinden investeren in een economisch slechte tijd onverstandig, anderen vinden dat je dan juist moet investeren, om zo de economie te stimuleren.

Hieronder staan drie economische verschijnselen.

1      consumptieve bestedingen stijgen

2      inkomens stijgen

3      de werkloosheid daalt

Stel dat in een economische slechte tijd de overheidsinvesteringen stijgen om zo de economie te stimuleren. In welke regel staan de verschijnselen dan in de juiste volgorde?

         a      overheidsinvesteringen stijgen ® 1 ® 2 ® 3 ® productie stijgt

        b      overheidsinvesteringen stijgen ® 1 ® 3 ® 2 ® productie stijgt

        c      overheidsinvesteringen stijgen ® 2 ® 1 ® 3 ® productie stijgt

        d      overheidsinvesteringen stijgen ® 2 ® 3 ® 1 ® productie stijgt

        e      overheidsinvesteringen stijgen ® 3 ® 1 ® 2 ® productie stijgt

      f      overheidsinvesteringen stijgen ® 3 ® 2 ® 1 ® productie stijgt

Economische begrippen

Consumptieve bestedingen

Dit zijn de uitgaven van gezinnen aan goederen en diensten, zoals boodschappen en kleding.

Inkomens

Het geld dat mensen verdienen met werken, een uitkering of vermogen. Overheidsbeleid beïnvloedt vaak het beschikbare inkomen.

Werkloosheid en beleid

De plannen in de miljoenennota kunnen invloed hebben op de werkgelegenheid. Meer investeren betekent vaak minder werkloosheid.


Stel dat in een economische slechte tijd de overheidsinvesteringen stijgen om zo de economie te stimuleren. In welke regel staan de verschijnselen dan in de juiste volgorde?

         a      overheidsinvesteringen stijgen ® 1 ® 2 ® 3 ® productie stijgt

        b      overheidsinvesteringen stijgen ® 1 ® 3 ® 2 ® productie stijgt

        c      overheidsinvesteringen stijgen ® 2 ® 1 ® 3 ® productie stijgt

        d      overheidsinvesteringen stijgen ® 2 ® 3 ® 1 ® productie stijgt

        e      overheidsinvesteringen stijgen ® 3 ® 1 ® 2 ® productie stijgt

       f      overheidsinvesteringen stijgen ® 3 ® 2 ® 1 ® productie stijgt

Wat is staatsschuld?

Staatsschuld is het totale bedrag dat de overheid nog moet terugbetalen aan leningen. Verantwoorde begroting houdt deze schuld beheersbaar.

De minister van Financiën vertelt in de Tweede Kamer dat hij een hogere staatsschuld wil voorkomen.

       

Wanneer ontstaat er een staatsschuld?

a      Als de overheidsuitgaven lager zijn dan de overheidsinkomsten.

b      Als er een begrotingsoverschot is.

c      Als er een begrotingstekort is.

d      Als er minder subsidies worden verstrekt.