Afweer en antistoffen (Biologie vmbo), les 2: Examentraining

LICHAAM · AFWEER

Examentraining

Afweer en antistoffen: zo pak je examenvragen aan

1 / 17
volgende
Slide 1: Slide
newEditorBiologieMiddelbare schoolvmbo g, tLeerjaar 3,4

In deze les zitten 17 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min
Dit is niet oké

Introductie

Examentraining met vier vraagtypen: gegevens uit een afbeelding halen (bloedgroepkaart en transfusietabel), antistoffen als diagnostisch middel, de juiste bescherming kiezen en een afwijkende afweerreactie verklaren. Acht vragen in examenstijl, waarvan vier met een kaart, tabel of grafiek.

Onderdelen in deze les

LICHAAM · AFWEER

Examentraining

Afweer en antistoffen: zo pak je examenvragen aan

Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: SELF Magazine / Wikimedia Commons, CC BY 2.0

LICHAAM · AFWEER

Wat ga je kunnen?

Ik kan gegevens over antistoffen en bloedgroepen lezen en kiezen welke bescherming bij een situatie past.

Deze slide heeft geen instructies

LICHAAM · AFWEER

Zo pak je een examenvraag aan

  • 1. Lees: waar gaat de vraag over: antistoffen, bloedgroepen of bescherming?

  • 2. Kijk: bekijk de kaart, tabel of grafiek goed. Wat staat er bij de kolommen?

  • 3. Denk: welk begrip uit de les past bij de gegevens?

  • 4. Controleer: past je antwoord bij alle gegevens in de vraag?

Deze slide heeft geen instructies

Een bloeddonor geeft bloed

LICHAAM · AFWEER

Vraagtype 1: gegevens uit een afbeelding halen

  • Bij een bloedgroepbepaling lees je af waar het bloed klontert.

  • Klontering bij anti-A: antigeen A. Bij anti-B: antigeen B. Bij anti-D: rhesusfactor.

  • Bij een tabel zoek je eerst de rij van de ontvanger.

  • Lees dan af welke donoren een vinkje hebben.

Image credit: Spc. Amanda Baker / Wikimedia Commons, publiek domein

Welke bloedgroep heeft Sanne volgens de kaart?

A

Bloedgroep A, Rh-

B

Bloedgroep B, Rh+

C

Bloedgroep A, Rh+

D

Bloedgroep AB, Rh+

Klontering bij anti-A en anti-D, niet bij anti-B: antigeen A en de rhesusfactor, dus bloedgroep A en Rh+. Verwachte fout: Rh- kiezen, omdat anti-D klontering juist Rh+ betekent. Image credit: Eigen tekening

Welke donoren mogen bloed geven aan een ontvanger met bloedgroep B?

A

Bloedgroep A en bloedgroep B

B

Bloedgroep B en bloedgroep O

C

Bloedgroep B en bloedgroep AB

D

Bloedgroep A en bloedgroep O

In de rij van ontvanger B staan vinkjes bij donor B en donor O. Verwachte fout: AB kiezen omdat de letter B erin zit. Donor AB heeft antigeen A en dat geeft klontering. Image credit: Eigen tekening

LICHAAM · AFWEER

Vraagtype 2: antistoffen als diagnostisch middel

  • Antistoffen in het bloed wijzen op een besmetting.

  • Let op of het dier of de persoon gevaccineerd is: ook dan zitten er antistoffen in het bloed.

  • Bij verwantschap geldt: een sterkere reactie betekent nauwere verwantschap.

  • Lees eerst de kolommen en de eenheid.

Deze slide heeft geen instructies

Welke koeien zijn volgens de tabel besmet geweest met het virus?

A

Koe 1 en koe 4

B

Alleen koe 2

C

Alle vier de koeien

D

Koe 2 en koe 3

Antistoffen bij koe 2 en koe 3 en geen koe is gevaccineerd: die twee zijn besmet geweest of nog besmet. Verwachte fout: koe 1 en koe 4 kiezen, door de kolom omgekeerd te lezen. Image credit: Eigen tekening

Welke diersoort is volgens de grafiek het nauwst verwant aan de mens?

A

De orang-oetan

B

De makaak

C

De lemuur

D

De chimpansee

De sterkste reactie (95) hoort bij de chimpansee. Verwachte fout: de lemuur kiezen door de grafiek verkeerd te lezen. De getallen zijn verzonnen voor deze oefening. Image credit: Eigen tekening

LICHAAM · AFWEER

Vraagtype 3: de juiste bescherming kiezen

  • Vaccin: je lichaam maakt zelf antistoffen, voor lange tijd.

  • Serum: kant-en-klare antistoffen, werkt direct maar korter, bijvoorbeeld na een slangenbeet.

  • Antibioticum: werkt alleen tegen bacteriën.

  • Vraag je af: moet het voorkomen of snel genezen worden?

Deze slide heeft geen instructies

Griep komt door een virus. Waarom schrijft de arts dan geen antibioticum voor?

A

Een antibioticum bevat kant-en-klare antistoffen

B

Een antibioticum bestrijdt alleen bacteriën

C

Een antibioticum is alleen bedoeld voor dieren

D

Een antibioticum werkt alleen na een vaccinatie

Antibiotica werken tegen bacteriën en niet tegen virussen. Verwachte fout: een antibioticum zien als serum met antistoffen.

Na een slangenbeet krijgt Piet een serum. Welke immunisatie is dit?

A

Actieve immunisatie

B

Een vaccinatie

C

Passieve immunisatie

D

Een antibioticakuur

Piet krijgt antistoffen toegediend: passieve immunisatie. Verwachte fout: actieve immunisatie kiezen, omdat serum en vaccin op elkaar lijken.

LICHAAM · AFWEER

Vraagtype 4: een afwijkende afweerreactie verklaren

  • Bij een allergie reageert de afweer op een onschadelijke stof.

  • Bij een transplantatie ziet de afweer het donororgaan als lichaamsvreemd.

  • Bij een auto-immuunziekte valt de afweer je eigen cellen aan.

  • Zoek in de vraag: gaat het om eigen cellen, een vreemd orgaan of een onschadelijke stof?

Deze slide heeft geen instructies

Een patiënt krijgt een donororgaan. Waarom kan het lichaam het afstoten?

A

De afweer ziet het orgaan als lichaamsvreemd

B

De afweer ziet het orgaan als een eigen orgaan

C

Het orgaan maakt zelf antistoffen tegen het lichaam

D

Het orgaan maakt te veel hormonen

De afweer herkent de antigenen van het donororgaan als lichaamsvreemd. Verwachte fout: denken dat het donororgaan zelf het lichaam aanvalt.

Reumatoïde artritis: de afweer valt eigen gewrichten aan. Wat voor ziekte is dit?

A

Een allergie

B

Een auto-immuunziekte

C

Een besmetting

D

Een erfelijke ziekte

De afweer richt zich op eigen cellen: een auto-immuunziekte. Verwachte fout: allergie kiezen, omdat ook dan de afweer te sterk reageert. Bij een allergie gaat het om een onschadelijke stof van buiten.

Welk vraagtype vind jij het lastigst?

1

Gegevens uit een afbeelding halen

2

Antistoffen als diagnostisch middel

3

De juiste bescherming kiezen

4

Een afwijkende afweerreactie verklaren

Bespreek het vraagtype met de meeste stemmen kort na met een voorbeeld.

LICHAAM · AFWEER

Tips voor op het examen

  • Bij een bloedgroepkaart: klontering betekent dat het antigeen aanwezig is.

  • Een ontvanger mag geen bloed krijgen met een antigeen waartegen die antistoffen heeft.

  • Antistoffen in het bloed bewijzen een besmetting of een vaccinatie, geen actieve ziekte.

  • Een antibioticum werkt alleen tegen bacteriën, een vaccin of serum gaat over antistoffen.

Deze slide heeft geen instructies