Luisterexamen A2- Theorie 1

Luisterexamen A2

Theori - set 1

Dutch with Hallo Hanh

1 / 15
volgende
Slide 1: Slide
newEditorNederlandsMBOStudiejaar 2

In deze les zitten 15 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Luisterexamen A2

Theori - set 1

Dutch with Hallo Hanh

De examenvorm

Het Inburgeringsexamen Luisteren duurt 45 minuten en heeft 25 vragen.

Je luistert naar ongeveer 10 korte teksten. Elke tekst duurt tussen de 20 en 60 seconden. De teksten gebruiken eenvoudig, duidelijk Nederlands op A2-niveau.


Alle vragen zijn meerkeuze (multiple choice) — de meeste hebben 3 opties (A, B, C), maar sommige kunnen er 4 hebben (A, B, C, D).

Belangrijke regel: Je hoort elk audiofragment MAAR ÉÉN KEER. Je kunt het niet opnieuw afspelen.


Leestijd: Vóór elk audiofragment krijg je 25 seconden om de vraag (of vragen) te lezen. Gebruik deze tijd goed!


🇻🇳

Puntentelling & Strategie


Om te slagen voor het Inburgeringsexamen Luisteren heb je ongeveer 60% goed nodig — dat zijn grofweg 15 van de 25 vragen.

Er is geen straf voor gokken. Als je het antwoord niet weet, gok dan ALTIJD. Je hebt minstens 33% kans dat je het goed hebt!


De Lees-Luister-Antwoord Strategie:

  1. Eerst lezen: Gebruik de 25 seconden om de vraag en de opties zorgvuldig te lezen.

  2. Actief luisteren: Focus op de kernwoorden uit de vraag. Je hoeft niet elk woord te begrijpen.

  3. Meteen antwoorden: Kies direct je antwoord zodat je klaar bent voor de volgende vraag.

Soorten teksten

  • Gesprekken tussen vrienden: Praten over plannen, hobby's of het dagelijks leven (bijv. "Zullen we morgen naar de markt gaan?").

  • Werk- & schoolsituaties: Een baas die instructies geeft, een leraar die een mededeling doet.

  • Omroepberichten: Op een treinstation, in een winkel of in een ziekenhuis.

  • Voicemails: Iemand die een kort bericht achterlaat (bijv. een afspraak afzeggen).

  • Nieuws & weer: Korte radioberichten over lokale evenementen of de weersverwachting.

  • Reclames: Aanbiedingen van winkels, evenementen of diensten.

Gesprekken begrijpen


Wat je leert:

  • Herkennen welke spreker wat zegt in een gesprek

  • Begrijpen wat iemand vraagt of wil

  • Herkennen wanneer mensen instemmen, weigeren of plannen wijzigen

Wie zegt wat?

In gesprekken gaat de vraag vaak over ÉÉN specifieke persoon.

"Wat vraagt Steven aan Jari?"

Hier moet je focussen op wat Steven zegt, niet op Jari.

Als Steven zegt: "Kun je morgen mijn auto ophalen?", gaat het antwoord over het ophalen van een auto

Hoe bereid je je voor tijdens de leestijd:

  1. Lees de vraag en omcirkel de naam van de persoon op wie je moet letten.

  2. Lees de korte introductietekst. Er staat meestal iets als: "Steven belt Jari." — nu weet je dat Steven als eerste spreekt.

  3. Luister specifiek naar de woorden van die persoon en negeer de rest.

Oefenen: Wie zegt wat?


Wat vraagt Hanh aan Tom?


A

Of hij zaterdag kan helpen met verhuizen

B

Of hij zondag naar een feest komt

C

Of hij zondag kan helpen met sjouwen

Wat wil Hanh weten?

A

Waar Nadia gisteren was

B

Of zij morgen vrij is

C

Wanneer de vergadering begint

Wat wil of vraagt iemand?


Veelvoorkomende examenvragen zijn:

  • "Wat vraagt X?"

  • "Wat wil X?"

  • "Waarvoor belt X?"

Belangrijk: Het antwoord bevat meestal NIET de exacte woorden uit de audio. Het is geparafraseerd (anders verwoord). Bijvoorbeeld:



  • Wat je hoort

  • Kun je zaterdag helpen met schilderen?."

  • "Ik zoek iemand die mijn hond kan uitlaten.

  • "Mag ik mijn afspraak verzetten naar dinsdag?"

  • Wat er in het antwoord staat

  • Of hij wil komen klussen.

  • Ze zoekt hulp met haar huisdier.

  • "Hij wil een andere dag."

Oefenen: Wat wil iemand?


Waarvoor belt Fatima?

A

Ze wil een pakje ophalen

B

Ze vraagt of Annet een pakje kan aannemen

C

Ze wil Annet uitnodigen voor koffie

Wat wil Mai?

A

Haar afspraak verzetten naar een andere dag

B

Informatie over de kosten

C

Een nieuwe afspraak maken

Afspreken, weigeren & plannen wijzigen

In gesprekken beginnen mensen vaak met één idee en veranderen dan hun plan. Het examen kan vragen: "Wat spreken ze af?" of "Wat gaan ze doen?"

Je moet luisteren naar de uiteindelijke beslissing, niet naar het eerste voorstel.

Belangrijke zinnen om te herkennen:

  • "Ja, goed idee!"

  • "Oké, dat is prima."

  • "Nee, dat kan niet."

  • "Dat lukt helaas niet.

  • ''Misschien kunnen we beter..."

  • "Ja maar, ik dacht eigenlijk aan..."

  • '' Zullen we dan maar...''

Instemming

Instemming

Weigeren

Weigeren

Planwijziging

Tegenvoorstel

Nieuwe beslissing



Oefenen: Wat besluiten ze?


Waar gaan Bram en Lisa eten?

A

Bij een Italiaans restaurant

B

Bij een Chinees restaurant

C

Thuis bij Lisa

Wat spreken Anja en haar moeder af?

A

Moeder maakt de taart en Anja koopt de slingers

B

Anja maakt de taart en moeder koopt de slingers

C

Ze kopen samen een taart bij de bakker

Wat gaat Merel meenemen?

A

Broodjes en soep

B

Salade en drinken

C

Alleen drinken