Voegwoorden

Voegwoorden

en, maar, of, dus, want

1 / 16
volgende
Slide 1: Tekstslide
Nieuwe lesbewerkerTaalISK

In deze les zitten 16 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Voegwoorden

en, maar, of, dus, want

en

👉 Betekent: toevoegen.
Je gebruikt en om twee dingen bij elkaar te zetten.


  • Ik heb een hond en een kat.

  • Hij leest een boek en drinkt koffie.

maar

👉 Betekent: tegenstelling.
Je gebruikt maar als er iets anders komt dan je verwacht. (dat wat je denkt)


  • Ik wil naar buiten, maar het regent.

  • Hij is moe, maar hij werkt toch door.

of

👉 Betekent: keuze. (kiezen)
Je gebruikt of om een keuze te geven tussen twee (of meer) mogelijkheden.


  • Wil je koffie of thee?

  • Gaan we fietsen of wandelen?

dus

👉 Betekent: gevolg. (daarna)
Je gebruikt dus als er een logisch gevolg is van wat je eerst zegt.


  • Het regent, dus ik neem een paraplu.

  • Ze had honger, dus ze ging koken.

want

👉 Betekent: reden. (uitleg)
Je gebruikt want om uit te leggen waarom iets zo is.


  • Ik ga vroeg naar bed, want ik ben moe.

  • Hij blijft thuis, want hij is ziek.

Hij eet een appel .... een banaan.

A

maar

B

en

C

want

D

dus

Hij wil buitenspelen, .... het regent.

A

of

B

dus

C

maar

D

want

Het is koud ..... ik neem een jas mee naar buiten.

A

maar

B

en

C

want

D

dus

Wil je thee .... koffie.

A

of

B

dus

C

maar

D

want

Maak een zin met ''maar''

Hij blijft thuis ..... hij is ziek.

A

of

B

dus

C

maar

D

want

Zij gaat naar de bioscoop .... naar een restaurant.

A

maar

B

omdat

C

want

D

en

Maak een zin met ''of''

Hij verdient veel geld ..... hij is rijk

A

maar

B

en

C

want

D

dus

Ik ben moe ..... ik ga toch werken

A

of

B

dus

C

maar

D

want