10.1 - 10.3 Vormingsvraagstuk

Vandaag
Uitleg invloed van de media.
Zelfstandig samenvatten ideologie.
Afmaken opdrachten 
Nakijken opdrachten & aftekenen.
1 / 23
volgende
Slide 1: Tekstslide
MaatschappijwetenschappenMiddelbare schoolhavoLeerjaar 5

In deze les zitten 23 slides, met tekstslides.

Onderdelen in deze les

Vandaag
Uitleg invloed van de media.
Zelfstandig samenvatten ideologie.
Afmaken opdrachten 
Nakijken opdrachten & aftekenen.

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Overzicht opdrachten:
HS 8: 4, 5, 9, 11, 16
HS 9: 1, 4, 10, 12
HS 10: 10

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

HS 10

10.3 Theorieen over media als socialisator

Socialisatie: Proces van overdracht en verwerving van de cultuur van de groep of samenleving waartoe mensen behoren.
Bestaat uit opvoeding, opleiding en andere vormen van omgang met mensen.


Vormingsvraagstuk
Vraagstuk over het proces van verwerving van een bepaalde identiteit. 

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

10.1 Context
Provo's (1965-1967) accepteerde het gezag van de dominante cultuur niet meer.

Waarom toen?


Erna:
Kabouterbeweging & 
Dolle Minas








Slide 4 - Tekstslide

tot 3:20 (korte intro provo) of tot 7:00 (uitgebreider met witte fietsenplan & invloed media)
10.2 Verandering in (politieke) socialisatie
Socialisatoren tot '60
Ontwikkelingen va. '60
Socialisatoren na '60

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

10.2 Verandering in identiteit
Ontstaan jongerencultuur -->.....................--> sociale identiteit
                                                      ---> ...................--> individualisering

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Vandaag
Uitleg Selectiviteits-en Mediaframinghypothese
Nakijk vr 16
Afmaken vragen (vraag 10 hs 10)
Aftekenen & leren concepten

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

PO ONDERZOEK???
Hadja Yousra Amira

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

cultivatiehypothese
De cultivatiehypothese bespreekt de socialiserende werking van de media. Als je veel kijkt naar bepaalde soorten programma’s op televisie, dan word je daardoor beïnvloedt. Het beeld dat je van de werkelijkheid hebt, verandert doordat je televisie kijkt. Dit gebeurt meer bij jou, dan bij iemand die niet naar deze programma’s kijkt. Zijn beeld van de werkelijkheid wordt niet beïnvloed.

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

opinieleiders-hypothese

De opinieleidershypothese stelt dat idolen en opinieleiders invloed hebben via de media. Wanneer jij via Facebook en Instagram je favoriete band of kledingmerk volgt, word je beïnvloed door de berichten die ze plaatsen.

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

 media framing hypothese
De media framing hypothese kijkt naar de manier waarop zaken gebracht worden in de media. Nieuws bijvoorbeeld, wordt op een bepaalde manier belicht en dat noem je het frame. Dit beïnvloedt hoe de lezers of luisteraars over het onderwerp gaan denken en praten. Het lijkt op selectieve perceptie (zie de selectiviteitshypothese) maar dan voorgekookt door de media zelf, in plaats van door de ontvanger. 

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Selectiviteitshypothese
De selectiviteitshypothese richt zich juist op de invloed die de media niet hebben. Mensen selecteren zelf wat ze zien en wat niet. Er zijn eigenlijk drie manieren waarop er selectiviteit is. 
1. selectieve blootstelling. Welke info kom je tegen? Bronnen, algoritmes.) 
2. selectieve perceptie. Wat zie je? Hoe zie jij het? Wat valt je op?
3. selectief onthouden

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

10.3 Hoeveel invloed heeft de media?
Cultivatietheorie:..................................................--> beeld v/d werkelijkheid
Opinieleidershypothese:....................................--> beeld v/d werkelijkheid
Media framinghypothese:..................................--> beeld v/d werkelijkheid
Selectiviteitstheorie:...........................................--> beeld v/d werkelijkheid

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Vrijdag:
Aantekeningen 10.4 Individualisering & 10.5 Globalisering
Video emancipatie & vragen

Na de vakantie:
Dinsdag: 12.4 Politiek en overheidsbeleid
Zelfstandig huiswerk afmaken & aftekenen!
Vrijdag: Laatste vragen & oefenquiz

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

3p
1) De survey-onderzoeken om de mening van Nederlanders ten aanzien van de democratie te peilen past bij de ontwikkelingsvisie. De ontwikkelingsvisie vindt namelijk dat zoveel mogelijk participatie  wenselijk is. De instrumentele visie daarentegen vindt participatie niet wenselijk en vindt dat politieke participatie alleen nodig is om de opvattingen van de burgers te achterhalen. 

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

2p
2) Uit figuur B blijkt dat de politieke participatie aan het afnemen is. De instrumentele visie lijkt meer aanhangers te krijgen omdat de instrumentele visie voor weinig politieke participatie van burgers is, terwijl de ontwikkelingsvisie politieke participatie van burgers juist aanmoedigt. 

Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

3p
3) De macht van een  politieke partij vermindert als er een compromis gesloten moet worden met een andere politieke partij omdat de politieke partij dan minder vermogen heeft om bepaalde de doelstellingen te bereiken. Een politieke partij zal namelijk zijn doelstellingen moeten aanpassen aan de doelstellingen van de andere partij

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

3p
4) Uit alinea 2 blijkt dat burgers een hoge mate van representativiteit in de politiek wenselijk vinden omdat burgers een coalitieregering (=meerdere partijen) beter vinden.  Als er meerdere partijen zijn betekent dat dat de standpunten en achtergrondkenmerken van meer mensen worden vertegenwoordigd in de politiek. Dit betekent meer overeenkomst tussen de standpunten en/of achtergrondkernmerken van vertegenwoordigers van de Nederlandse bevolking 

Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

3p
5) Een daling van vertrouwen in de Nederlandse politiek kan leiden tot een daling van gezag omdat gezag hoog is als er vertrouwen is in politici. Als er vertrouwen is in politici, beschouwen burgers het handelen van politici als legitiem. Als er een daling van vertrouwen is kan dit leiden tot een daling van gezag omdat burgers omdat mensen het vermogen van politici om bepaalde dingen gedaan te krijgen minder als legitiem kunnen gaan beschouwen en dan is er een daling van gezag. 

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies