Toets H4

Quiz H4 (cumulus)
investeringsselectie
1 / 29
volgende
Slide 1: Tekstslide
BedrijfseconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 5

In deze les zitten 29 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Quiz H4 (cumulus)
investeringsselectie

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Ben jij al zo goed voorbereid dat je groot kans maakt op de winst?
Yes!!! Kom maar op!!!
Ik ga het zeker proberen
Ik hoop het!!!

Slide 2 - Poll

Deze slide heeft geen instructies

Investeringsselectie

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hoe hoog is de cashflow
bepaald uit de resultatenrekening
A
335.300
B
340.175
C
345.050
D
1.530.000

Slide 4 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Investering € 400.000,-;
Cashflow jaar 1 € 100.000,-;
Cashflow jaar 2 € 150.000,-;
Cashflow jaar 3 € 250.000,-;
Cashflow jaar 4 € 350.000,-
Terugverdientijd?
A
2 jaar
B
2 jaar en 7 maanden
C
2 jaar en 8 maanden
D
3 jaar

Slide 5 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Investering €40.000, cashflow is €12.000 p.j., restwaarde eind 3e jaar is €8.000. Rente 5%. Hoeveel is de NCW?
A
-€410,32
B
-€7.321,02
C
+€32.678,98
D
+ €39.489,68

Slide 6 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Organisatie

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat voor een soort organisatiestructuur is dit
A
lijnorganisatie
B
lijn-staf organisatie

Slide 8 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de spandiepte hier
A
2
B
3
C
4
D
5

Slide 9 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welk indelingen zien we niet
in de organogram
A
Functioneel
B
Doelgroep
C
Product
D
Geografisch

Slide 10 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Je geeft leiding aan 20 mensen, maar zou leiding kunnen geven aan 25 mensen.
Wat is jouw omspanningsvermogen en spanwijdte?
A
Spanwijdte=20 Omspanningsvermogen= 25
B
Spanwijdte=25 en omspanningsvermogen=20
C
Allebei 20
D
Allebei 25

Slide 11 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Als de spanwijdte groter is dan het omspanningsvermogen, dan...
A
Heeft de manager veel tijd over.
B
Heeft de manager de gelegenheid zijn ondergeschikten beter begeleiden.
C
Kan de manager eigenlijk niet effectief leiding geven.
D
Kan de manager zich met veel details bemoeien.

Slide 12 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Sleep naar theorie X of Y
Positief mensbeeld
Humanrelations beweging
Medewerker niet enkel te motiveren met loon
medewerker met verantwoordelijkheden
werknemer wil niet werken
autoritaire manager
Theorie X
Theorie Y
Negatief mensbeeld

Slide 13 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Binnen situationeel leiderschap S4 delegeren wordt het volgende van de werknemers verwacht?
A
dat zij opdrachten onder begeleiding doen
B
dat zij zelfstandig aan de slag kunnen
C
dat zij sturing nodig hebben
D
dat zij een lage bereidheid hebben

Slide 14 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Binnen situationeel leiderschap worden bereidheid en bekwaamheid besproken. Als er sprake is van een hoge bereidheid maar een lage bekwaamheid welke stijl moet er dan worden gekozen door de leider?
A
S1 Instrueren
B
S2 Overtuigen
C
S3 Overleggen
D
S4 Delegeren

Slide 15 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Personeel

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies


Stellingen:
I: nettoloon= loonkosten-brutoloon
II:nettoloon=  brutoloon-loonheffing-pensioenpremie 
                        
A
Beide stellingen zijn juist
B
Alleen stelling I is juist
C
Alleen stelling II is juist
D
Beide stellingen zijn onjuist

Slide 17 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

CAO en Arbeidscontract zijn hetzelfde
A
Waar
B
Niet waar

Slide 18 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is niet waar?
A
Vakantiedagen zijn geregeld in de cao
B
iedereen in Nederland heeft een cao
C
je baas moet zich houden aan de cao
D
op www.cao.nl staan de cao's

Slide 19 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Een CAO is een arbeidsovereenkomst die geldt voor...
A
een hele groep werknemers in een bepaalde bedrijfstak
B
één werknemer
C
één werkgever
D
een hele groep werkgevers in een bepaalde bedrijfstak

Slide 20 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Er zijn wettelijk gezien drie voorwaarden opdat er sprake is van een arbeidsovereenkomst. Wat is wettelijk gezien géén voorwaarde?
A
Er is sprake van een gezagsverhouding
B
Er is sprake van loon als betaling
C
Er is sprake van een arbeidsverplichting
D
Er worden afspraken schriftelijk vastgelegd

Slide 21 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Als je voor een bedrijf gaat werken, kun je een individuele arbeidsovereenkomst afsluiten, maar je kunt ook een ZZP-overeenkomst afsluiten. Welke van onderstaande verschillen is/zijn juist?
Juist
Onjuist
Bij een individuele arbeidsovereenkomst heb je geen sociale zekerheid, bij een ZZP-overeenkomst wel.
Bij een individuele arbeidsovereenkomst bouw je verplicht pensioen op, bij een ZZP-overeenkomst niet.
Bij een individuele arbeidsovereenkomst wordt je doorbetaald bij ziekte, bij een ZZP-overeenkomst niet.

Slide 22 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welke reden voor ontslag is niet terecht? Je wordt ontslagen...
A
omdat je bij een ander bedrijf solliciteert.
B
omdat je iets gestolen hebt binnen het bedrijf
C
terwijl je nog in je proeftijd zit.
D
vanwege tegenvallende resultaten van het bedrijf.

Slide 23 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Er zijn een aantal situaties waarbij de werkgever jou niet mag ontslaan puur en alleen om de situatie. In welke van de onderstaande situaties geldt zo'n ontslagverbod?
Je mag ontslagen worden<br />
Je mag niet ontslagen worden<br />
Je zit in de Ondernemingsraad (OR) van jouw organisatie.
Je bent Algemeen Directeur / CEO van jouw organisatie.
Je bent opgeroepen om je militaire dienstplicht te vervullen.
Je bent zwanger en kunt daardoor bepaalde werkzaamheden niet meer vervullen.
Door complicaties tijdens de bevalling van je kind kun je na je geboorteverlof nog niet aan het werk.
Je bent langer dan twee jaar ziek.

Slide 24 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Novi werkt in loondienst bij een adviesbureau. In 2025 werkt Novi 0,4 fte (1 fte = 1 fulltimebaan) en heeft hij een netto maandloon van € 2.460 exclusief vakantiegeld. Het netto maandloon bedraagt 75% van het brutoloon exclusief vakantiegeld.

Op 1 januari 2026 wordt de aanstelling van Novi uitgebreid tot 0,6 fte. In 2026 krijgt Novi een verhoging van het brutoloon van 2%. Het vakantiegeld is 7% van het bruto jaarloon exclusief vakantiegeld. Het werkgeversaandeel in de sociale premies is 28% van het brutoloon plus vakantiegeld.

Bereken de loonkosten van de onderneming over 2026.
A
€ 46.394,10
B
€ 54.985,61
C
€ 61.858,81
D
€ 82.478,41

Slide 25 - Quizvraag

Bruto maandloon bij 0,4 fte: 2.460 / 0,75 = 3.280
Bruto maandlaan bij 0,6 fte: 3.280 / 0,4 x 0,6 = 4.920
Bruto maandloon na loonsverhoging: 4.920 x 1,02 = 5.018,40
Maandelijkse loonkosten: 5.018,40 x 1,07 x 1,28 = 6.873,20
Jaarlijkse loonkosten: 6.873,20 x 12 = € 82.478,41
Je neemt ontslag omdat je werkgever aangeeft dat je het werk niet meer aan kan. Het blijkt te zwaar te zijn. Je bent tien jaar in dienst geweest. Heb je recht op een transitievergoeding?
A
Ja
B
Nee
C
hangt er vanaf

Slide 26 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Bij onvoldoende functioneren verloopt het ontslag...
A
Via het UWV
B
Via de kantonrechter
C
met wederzijds goedvinden
D
Via de werkgever

Slide 27 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is geen recht van de OR?

A
Adviesrecht
B
Besluitrecht
C
Initiatiefrecht
D
Instemmingsrecht

Slide 28 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Een werknemer heeft recht op de volgende transitievergoeding bij ontslag:
- Als het dienstverband 8 jaar of minder heeft geduurd: 1/7 bruto maandsalaris voor elke volle 6 maanden in dienst.
- Voor elk jaar dat het dienstverband langer heeft geduurd dan 8 jaar: 1/5 bruto maandsalaris voor elke volle 6 maanden in dienst.

Op 1 januari 2025 wordt Ellie ontslagen. Ellie verdiende € 2.450 bruto per maand en wordt na 11 jaar en 8 maanden ontslagen. Bereken de transitievergoeding die Ellie ontvangt.
A
€ 9.030
B
€ 9.520
C
€ 10.780
D
€ 11.270

Slide 29 - Quizvraag

Ellie wordt na 11 jaar en 8 maanden ontslagen.
Voor de eerste 8 jaar ontvangt zij 16 x 1/7 x 2.450 = 5.600
Voor de laatste 3 jaar en 8 maanden ontvangt zij 7 x 1/5 x 2.450 = 3.430
In totaal ontvangt Ellie 5.600 + 3.430 = € 9.030