H13.5

Inwendig milieu
Je lichaam probeert je inwendige milieu zo constant mogelijk te houden zodat de omgeving van cellen zo optimaal mogelijk is (osmotische waarde, zuurgraad, aanwezigheid mineralen en brandstoffen, temperatuur).

Het vermogen van het lichaam om je inwendige milieu constant te houden heet homeostase.



1 / 15
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 5

In deze les zitten 15 slides, met tekstslides.

Onderdelen in deze les

Inwendig milieu
Je lichaam probeert je inwendige milieu zo constant mogelijk te houden zodat de omgeving van cellen zo optimaal mogelijk is (osmotische waarde, zuurgraad, aanwezigheid mineralen en brandstoffen, temperatuur).

Het vermogen van het lichaam om je inwendige milieu constant te houden heet homeostase.



Slide 1 - Tekstslide

Inwendig milieu
Om het inwendige milieu constant te houden meet het lichaam continu de waardes van bijvoorbeeld Ca2+, Na+, K+, CO2, O2, glucose maar ook de pH en temperatuur met behulp van gespecialiseerde zintuigcellen.

Ook heeft het lichaam een bepaalde normwaarden.


Slide 2 - Tekstslide

Regelkringen in het lichaam
Voorbeelden:
Bloedsuikerspiegel
Hormonen regelen bijsturen bij een te hoge en een te lage glucoseconcentratie in het bloed.
Waterhuishouding (nieren/ ADH)
Hormonen regelen de hoeveelheid water die via de urine wordt uitgescheiden

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Tekstslide

Dynamisch evenwicht
Door de regelkringen krijg je een dynamisch evenwicht.
Komt een waarde boven de norm dan gebeuren er automatisch dingen die zorgen dat de waarde verlaagt. Wordt de waarde te laag dan gebeuren er automatisch dingen die zorgen dat de waarde weer verhoogt. De waarde schommelt op de norm.

Slide 5 - Tekstslide

Dynamisch evenwicht

Slide 6 - Tekstslide

Slide 7 - Tekstslide

polysachariden
Lange suikerketens.

Zetmeel: rechte keten
cellulose: celwanden 
glycogeen: vertakt (dierlijke cellen)

Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Tekstslide

Glucose
Insuline: wordt afgegeven door de alvleesklier bij een hoge bloedsuikerspiegel. Spieren en lever nemen glucose op en vormen glycogeen. Bloedsuikerspiegel daalt

Glucagon: wordt afgegeven door de alvleesklier bij een lage bloedsuikerspiegel. Lever zet glucagon om in glucose. Bloedsuikerspiegel stijgt.

Slide 10 - Tekstslide

Glucose
Adrenaline: stresshormoon, wordt aangemaakt door de bijnieren (die BINAS 89A).
Zorgt voor extra afbraak glycogeen door de lever: extra glucose beschikbaar in het bloed voor vechten of vluchten.

Slide 11 - Tekstslide

Temperatuur regeling

Slide 12 - Tekstslide

Temperatuur regeling

Slide 13 - Tekstslide

concentratie van de urine
-kan wisselen, afhankelijk van de osmtische waarde in de weefsels/bloed
 
- hypothalamus/ hypofyse
-Anti diuretisch hormoon ADH
ADH: nieren halen meer water terug uit de voorurine
BINAS 89A en C

Slide 14 - Tekstslide

BINAS 89 A en C
Reabsorptie

Slide 15 - Tekstslide