Seneca
Hoofdstuk 3 (2e druk)
De samenleving en verschillen
Text
Seneca
Hoofdstuk 3 (2e druk)
De samenleving en verschillen
Text
Lesdoelen
Ik leer:
Wat sociale ongelijkheid is
Hoe macht en dwang van elkaar verschillen en hoe ze gerelateerd zijn
Wat gezag is
De tegenpolen samenwerking en conflict te begrijpen
Wat collectieve actie is en het dilemma van de collectieve actie
Identiteit
Cultuur
Ideologie
Politieke socialisatie
Socialisatie
Rationalisering
Democratisering
Individualisering
Globalisering
Institutionalisering
Staatsvorming
Acculturatie
Macht
Samenwerking
Representativiteit
Sociale institutie
Sociale cohesie
Cultuur
Representatie
Politieke institutie
Groepsvorming
Gezag
Conflict
Sociale (on)gelijkheid
3.1 Sociale ongelijkheid
Kernconcept:
Sociale ongelijkheid is een situatie, waarin verschillen tussen mensen, al dan niet aangeboren kenmerken, consequenties hebben voor hun maatschappelijke positie en die leiden tot een ongelijke verdeling van schaarse en hooggewaardeerde zaken, van waardering en behandeling
https://www.youtube.com/watch?v=bG652LsL2lo
Gevolgen van die verschillen
Er is sprake van sociale ongelijkheid als de verschillen tussen mensen consequenties hebben voor hun waardering en behandeling.
Bijvoorbeeld: mannen en ouderen krijgen over het algemeen meer betaald dan vrouwen en jongeren.
Het beroep chirurg heeft meer aanzien (status) dan het beroep schoonmaker.
Dit betekent niet perse dat er sprake is van discriminatie, dit is namelijk ongelijke behandeling in gelijke gevallen.
https://www.youtube.com/watch?v=dtcjRwKgtCA
Slide titel
3.1 Vier soorten sociale ongelijkheid
Kolom titel
Kolom tekst
Kolom tekst
Kolom tekst
Kolom titel
Sociale ongelijkheid ontstaat bij een ongelijke verdeling van sociale hulpbronnen
Sociale hulpbronnen
Economische hulpbronnen: geld, bezit
Sociale hulpbronnen: contacten met mensen, netwerken
Symbolische hulpbronnen: status, aanzien
Politieke hulpbronnen: macht, gezag
https://www.expertisecentrum-maatschappijwetenschappen.nl/redeneren/kennisclips/
3.1 De maatschappelijke ladder
De verdeling van de maatschappij in groepen waartussen sociale ongelijkheid bestaat noemen we sociale stratificatie.
Een sociale laag is een groep mensen met dezelfde maatschappelijke positie.
De maatschappelijke ladder is een indeling waarbij mensen met meer bezit of status hoger staan dan anderen.
Als mensen vergeleken worden op basis van de status van hun beroep, noemen we dat beroepsprestigeladder.
3.1 Sociale mobiliteit
Het stijgen of dalen op de maatschappelijke ladder noemen we sociale mobiliteit.
Positietoewijzing verwijst naar maatschappelijke oorzaken waardoor een persoon of groep op een bepaalde positie terechtkomt.
De betrokken personen hebben hier geen invloed op.
Positieverwerving houdt in dat mensen een maatschappelijke positie verkrijgen door hun eigen bijdrage of de groep waartoe ze behoren.
De betrokken personen hebben hier wél invloed op.
3.1 Open en gesloten samenlevingen
In een open samenleving hebben mensen veel kansen om sociaal mobiel te zijn.
In een gesloten samenleving is er nauwelijks mogelijkheid tot sociale mobiliteit.
In elke samenleving is er sprake van sociale ongelijkheid, maar de
mogelijkheid om daar wat aan te doen verschilt per samenleving
3.1 Drie soorten kapitaal
Kansen worden groter naarmate iemand kapitaal heeft.
We onderscheiden drie soorten kapitaal:
Economisch kapitaal: bezit, vermogen, inkomen
Sociaal kapitaal: relaties, netwerken
Cultureel kapitaal: culturele competenties, kennis, houdingen, opvattingen en smaak die passen bij de hogere sociale klasse
Vraag:
Hoe heet de institutie die er voor zorgt dat er minder sociale ongelijkheid is?
3.1 De verzorgingsstaat
Definitie
Een staat die zich verantwoordelijk voelt voor de welvaart en het welzijn van haar burgers
Doelen
Solidariteit reguleren
Ongelijkheid bestrijden
Belasting betalen is solidariteitsregulatie
3.1 3 pijlers van de verzorgingsstaat
Sociale zekerheid
Gezondheidszorg
Onderwijs
Een uitgebreide verzorgingsstaat kost veel geld.
(miljoenennota 2023)
Voorbeeldexamenvraag sociale ongelijkheid
De arbeidsparticipatie van niet-westerse migranten wijkt sterk af van het landelijke gemiddelde. 14,2 procent van de niet-westerse migranten was in 2015 werkloos, tegen 6,6 procent van alle personen van 15 tot en met 64 jaar. Bij het vinden van betaald werk door niet-westerse migranten wordt een onderscheid gemaakt tussen positietoewijzing en positieverwerving.
Leg uit dat de lagere arbeidsparticipatie van niet-westerse migranten zowel te maken kan hebben met positietoewijzing als met positieverwerving.(2p) Gebruik in je uitleg:
– een voorbeeld van positietoewijzing;
– een voorbeeld van positieverwerving
3.2 Macht
Kernconcept
Macht is het vermogen om hulpbronnen in te zetten om bepaalde doelstellingen te bereiken en de mogelijkheden van anderen te beperken of te vergroten.
https://www.youtube.com/watch?v=KLrF9f0APHU
3.2 Machtsbronnen
Affectieve machtsbronnen: gevoel, emoties
Cognitieve machtsbronnen: kennis
Economische machtsbronnen: geld, bezit
Politieke machtsbronnen: politieke machtsdragers
Vraag:
Welke machtsbron heeft Jaap van Dissel?
3.2 Welke machtsbronnen?
Vraag:
Welke twee machtsbronnen gebruikt Gretha Thunberg?
https://www.youtube.com/watch?v=HAOCnDMGdKU&t=24s
3.2 Het dilemma van de collectieve actie
Collectieve actie: wanneer mensen samenwerken om een collectief goed te realiseren.
Dilemma van de collectieve actie (Prisoner dilemma)
-Free riders; actoren die wel profiteren van het collectieve goed, maar er niet aan bijdragen.
- Dilemma van de collectieve actie op internationaal niveau
https://www.youtube.com/watch?v=fYibA_9s9Jc
3.2 Het dilemma van de collectieve actie
Vraag:
Hoe is de corona epidemie een voorbeeld van het dilemma van de collectieve actie?
Vraag:
Wat kan een oplossing zijn voor het dilemma van de collectieve actie?
3.2 De oplossing
Dwang is de oplossing
Een actor met macht kan dwang gebruiken
Hoe meer hulpbronnen een actor heeft, hoe meer macht hij of zij heeft.
3.2 Formele en informele macht
Formele macht is vastgelegd in regels en wetten
Informele macht is niet officieel vastgelegd
3.3 Gezag
Kernconcept:
Gezag is macht die als legitiem wordt beschouwd
https://www.youtube.com/watch?v=VHuzOtjdjbI
3.3 bronnen van gezag
Iemand kan zijn of haar gezag ontlenen aan verschillende bronnen:
Functie
Prestaties
Kwaliteiten
Vraag:
Op basis waarvan ontleent de paus zijn geestelijk gezag?
3.4 Samenwerking en conflict
Samenwerking (kernconcept)
Het proces waarin individuen, groepen en/of staten relaties vormen om hun handelen op elkaar af te stemmen voor een gemeenschappelijk doel.
3 voorwaarden voor samenwerking:
Compromisbereidheid
Onderling vertrouwen
Wederzijdse acceptatie
3.4 Machtsbronnen
2 modellen met betrekking tot samenwerking
Harmoniemodel (poldermodel)
> De nadruk ligt op overleggen en er samen uit komen
> Veel overleg
Conflict model
> De nadruk ligt op het behalen van eigen doelen en belangen.
> Stakingen en burgerlijke ongehoorzaamheid
3.4 Manifeste en latente conflicten
Manifeste conflicten: Er wordt openlijk tegengewerkt, het conflict is zichtbaar
Latente conflicten: Het conflict is subtieler, verborgen
3.4 Samenwerking en conflict
Opdracht:
( 15 minuten in groepjes, 5 minuten nabespreken)
Vorm 4-tallen:
Bedenk een voorbeeld van het dilemma van collectieve actie op microniveau (individuen)
Bedenk een voorbeeld van het dilemma van collectieve actie op mesoniveau (staat)
Bedenk een voorbeeld van het dilemma van collectieve actie op macroniveau (internationaal)
Maak uit je opdrachtenboek paragraaf 5.2, opdracht 4 en 5
3.4 Samenwerking en conflict
Wat heb ik geleerd?
Wat sociale ongelijkheid is
Hoe macht en dwang van elkaar verschillen en hoe ze gerelateerd zijn
Wat gezag is
De tegenpolen samenwerking en conflict te begrijpen
Wat collectieve actie is en het dilemma van de collectieve actie