koppelteken en weglatingsstreepje

Welkom!
Pak je leesboek.
Verder vandaag:
Bespreken huiswerk
Start paragraaf 4 
Aan de slag
1 / 28
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2

In deze les zitten 28 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Welkom!
Pak je leesboek.
Verder vandaag:
Bespreken huiswerk
Start paragraaf 4 
Aan de slag

Slide 1 - Tekstslide

Leestekens
Hoe zat het ook alweer? 

Slide 2 - Tekstslide

Punt
Aan het einde van een zelfstandige, mededelende zin:
Jan laat de hond uit. 


Slide 3 - Tekstslide

Komma
  • Als je 2 zinnen samenvoegt tot een langere zin. De komma staat dan:
    - Tussen 2 persoonsvormen
    Toen Jan de hond zag, schrok hij.
    - Voor een voegwoord (maar, terwijl, want, etc)
    Jan zag de hond, maar hij schrok niet.
    - Voor en na een deel van een zin dat niet op zichzelf kan staan
    Jan, die nooit bang is, schrok van de hond.
  • Tussen delen van een opsomming:
    Jan is bang voor honden, katten en voor de buurvrouw.

Slide 4 - Tekstslide

Dubbele punt
  • Voor een aangekondigde opsomming:
     Jan is bang voor de volgende dieren: honden, katten en de parkiet van de buurvrouw.
  • Als het tweede deel een uitleg vormt bij het eerste deel (je kunt denken: , want):
    Jan is een echte angsthaas: zelfs de buurvrouw vindt hij eng.
  •  Voor de directe rede of een citaat:
    Jan zei: 'ik ben bang voor honden en katten.'

Slide 5 - Tekstslide

Aanhalingsteken
  • Bij de directe rede of een citaat:
    Jan zei: 'ik ben bang voor honden en katten.'
    'Vanavond ga ik naar therapie voor mijn hondenangst', zei Jan
    .
    'Vanavond,' zei Jan, 'ga ik naar therapie voor hondenangst.'
Let op: aanhalingstekens gebruik je alleen als iemand écht iets zegt. 

Slide 6 - Tekstslide

Bespreken huiswerk
Opdracht 1, 2 en 4 op bladzijde 251.

Slide 7 - Tekstslide

Slide 8 - Tekstslide

Deze les gaat over een klein liggend streepje, -.
Het koppelteken of het weglatingsstreepje.
Voor allebei de tekens gebruik je hetzelfde streepje.


Spelling paragraaf 4
Je leert wanneer je het streepje moet gebruiken.

Slide 9 - Tekstslide

koppelteken
Uitzonderingen
Je gebruikt een koppelteken als er klinkers botsen, die ook samen een klank kunnen vormen.
bijvoorbeeld:
auto + ongeluk = auto-ongeluk 

Slide 10 - Tekstslide

koppelteken
Samenstellingen schrijf je in principe aan elkaar.
bijvoorbeeld:
voetbal + competitie = voetbalcompetitie
tentamen + stress =  tentamenstress

Slide 11 - Tekstslide

politie + academie
A
politie academie
B
politieacademie
C
politie-academie

Slide 12 - Quizvraag

studie + avond
A
studie avond
B
studieavond
C
studie-avond

Slide 13 - Quizvraag

gala + avond
A
gala avond
B
galaavond
C
gala-avond

Slide 14 - Quizvraag

domino + effect
A
domino effect
B
dominoeffect
C
domino-effect

Slide 15 - Quizvraag

rij + examen
A
rij examen
B
rijexamen
C
rij-examen

Slide 16 - Quizvraag

koppelteken
Uitzonderingen
Je gebruikt een koppelteken als er 3 dezelfde medeklinkers naast elkaar staan.
bijvoorbeeld:
business + strategie = business-strategie

Slide 17 - Tekstslide

koppelteken
Uitzonderingen
Je gebruikt een koppelteken bij bijzondere woordcombinaties
bijvoorbeeld:
doe het zelf + zaak = 
doe-het-zelfzaak
( Je schrijft de samenstelling met deze combinatie dan wel vast aan de combinatie)

Slide 18 - Tekstslide

koppelteken
Uitzonderingen
Je gebruikt een koppelteken bij letters, cijfers, andere tekens, afkortingen en St. of Sint
bijvoorbeeld: 
A4-tje
Sint-Nicolaas
mbo-niveau

Slide 19 - Tekstslide

koppelteken
Uitzonderingen
Je gebruikt een koppelteken bij aardrijkskundige namen
bijvoorbeeld:
Zuid + Holland = Zuid-Holland

Slide 20 - Tekstslide

koppelteken
Uitzonderingen
Je gebruikt een koppelteken bij de voorvoegsels:
anti-, oer-, on- en pro- alleen als er een hoofdletter na komt.

bijvoorbeeld: oer-Hollands 

Slide 21 - Tekstslide

Slide 22 - Tekstslide

weglatingsstreepje
Als je een deel van een woord weglaat, mag dat met een weglatingsstreepje.
Let op: 
- als je het eind van het woord weglaat, komt het streepje bij het eerste woord aan het eind, bijv. in- en uitvoer.
- als je het begin van het woord weglaat, komt het streepje aan het begin van het tweede woord, bijv. damesjassen en -jurken.
- laat je een heel woord weg, dan gebruik je geen streepje.

Slide 23 - Tekstslide

Slide 24 - Tekstslide

Slide 25 - Tekstslide

Slide 26 - Tekstslide

Aan de slag
Lees de theorie op bladzijde 254 nog even goed door. 
Maak daarna opdracht 1 t/m 3 op bladzijde 254-255.

Slide 27 - Tekstslide

Slide 28 - Link