10.2/3 Soorten veranderen en kunnen ontstaan

1 / 36
volgende
Slide 1: Video
BiologieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 5

In deze les zitten 36 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Video

Juist of onjuist

Het gebruik van gidsfossielen is een voorbeeld van relatieve ouderdomsbepaling.
A
juist
B
onjuist

Slide 2 - Quizvraag

Met hulp van gidsfossielen kunnen wetenschappers aardlagen dateren. Welke fossielen zijn het best te gebruiken als gidsfossielen?
A
Van een soort die voor korte tijd in een bepaald gebied voorkomt.
B
Van een soort die voor korte tijd wijdverspreid voorkomt.
C
Van een soort die gedurende lange tijd in een bepaald gebied voorkomt.
D
Van een soort die gedurende lange tijd wijdverspreid voorkomt.

Slide 3 - Quizvraag

Wat is de meest betrouwbare manier van het op leeftijd schatten van een krokodillenfossiel?
A
Vergelijken met varen-fossielen in dezelfde aardlaag
B
Vergelijken met dromaeosaurus- fossielen in dezelfde aardlaag
C
Absolute ouderdomsbepaling op basis van C14
D
Absolute ouderdomsbepaling op basis van C12

Slide 4 - Quizvraag

Voorbeeld C14:
Fossiel met 25% oorspronkelijke C14
en halveringstijd 5730 jaar is hoe oud?
A
5730 jaar
B
11460 jaar
C
1433 jaar
D
22920 jaar

Slide 5 - Quizvraag

De halfwaardetijd van C-14 is 5736 jaar. Onderzoekers treffen fossiele resten aan waarin de verhouding C14/C12 = 1/64 is ten opzichte van deze verhouding in de atmosfeer. Hoe oud wordt dit fossiel geschat?
A
11500 jaar
B
34000 jaar
C
64000 jaar
D
400000 jaar

Slide 6 - Quizvraag


Om te berekenen hoe oud een fossiel is, kan gebruikt worden gemaakt van de halfwaardetijd van bepaalde radioactieve moleculen. Een levend organisme heeft een bepaald percentage 14C in het lichaam. Na hun dood vervalt de 14C langzaam: na 5730 jaar is nog de helft van het 14C over.
De leeftijd van het fossiel van Homo floresiensis is door middel van de radioactieve koolstof 14C-methode geschat op circa 18 000 jaar.
Welk percentage van de oorspronkelijke hoeveelheid 14C was er nog ongeveer over in de fossielen van Homo floresiensis?
A
6%
B
11%
C
23%
D
42%

Slide 7 - Quizvraag

Wat is een levend fossiel?
A
een dier dat sinds zijn ontstaan lang geleden nauwelijks is veranderd
B
een dier dat heel oud kan worden
C
een modern dier dat erg lijkt op een uitgestorven soort
D
Een dood fossiel dat tot leven komt

Slide 8 - Quizvraag

Slide 9 - Tekstslide

Slide 10 - Tekstslide

Slide 11 - Tekstslide

Slide 12 - Tekstslide

Slide 13 - Tekstslide

Slide 14 - Tekstslide

Slide 15 - Tekstslide

Slide 16 - Tekstslide

Slide 17 - Tekstslide

Slide 18 - Tekstslide

Slide 19 - Tekstslide

Slide 20 - Tekstslide

Slide 21 - Tekstslide

Slide 22 - Tekstslide

Slide 23 - Video

Slide 24 - Tekstslide

Slide 25 - Tekstslide

Slide 26 - Tekstslide

Wat is geen evolutie
A
Telefoons die steeds sneller worden.
B
Mensen worden steeds langer
C
Huiskatten worden steeds liever
D
De gemiddelde Nederlander wordt dikker.

Slide 27 - Quizvraag

Wat is evolutie?
A
het veranderen van gedaante bij een organisme
B
ontwikkeling die een organisme tijdens zijn leven doormaakt
C
het ontstaan, veranderen en/of verdwijnen van soorten
D
het groter worden van een populatie

Slide 28 - Quizvraag

Wie heeft de evolutie van mens en dier ontdekt?
A
Columbus
B
Darwin
C
Mendel
D
Watson & Crick

Slide 29 - Quizvraag

Wat heb je niet nodig voor evolutie?
A
verandering van het milieu
B
natuurlijke selectie
C
genetische variatie
D
al deze antwoorden zijn nodig voor evolutie

Slide 30 - Quizvraag

Wat is de goede volgorde van evolutie?
A
Survival of the fittest, natuurlijke selectie, genetische variatie, overerving goede eigenschappen
B
Genetische variatie, natuurlijke selectie, survival of the fittest, overerving goede eigenschappen
C
Natuurlijke selectie, genetische variatie, survival of the fittest, overerving goede eigenschappen
D
Genetische variatie, survival of the fittest, natuurlijke selectie, overerving goede eigenschappen

Slide 31 - Quizvraag

Wanneer heb je meer kans op evolutie?
A
Bij een grote genetische variatie in een ecosysteem
B
Bij een grote genetische variatie in een populatie
C
Bij een kleine genetische variatie in een ecosysteem
D
Bij een kleine genetische variatie in een populatie

Slide 32 - Quizvraag

Waar staat 'fitness' voor bij evolutie?
A
hoe goed je kan overleven
B
hoe fit je bent
C
hoeveel nakomelingen je maakt
D
hoe sterk je bent

Slide 33 - Quizvraag

De evolutietheorie gaat ervan uit dat:
1. Door mutatie steeds nieuwe ......................... ontstaan waardoor er steeds meer ................... is binnen een soort. 
2. Als een organisme zich kan aanpassen aan zijn omgeving heeft hij een grotere ............................. Dit verschijnsel noemen we .........................
3. Door ......................... kunnen individuen van dezelfde soort steeds meer verschillen van elkaar, omdat ze in een andere omgeving leven. Hierdoor kunnen er uiteindelijk nieuwe ......................... ontstaan. Deze verschillende soorten kunnen zich uiteindelijk onderling niet meer samen .......................... .

soorten
overlevingskans
natuurlijke selectie
isolatie
genotypen
voortplanten
variatie

Slide 34 - Sleepvraag

(zie de afbeelding hiernaast)
Volgens de evolutie ontstaan er in de loop van de tijd verschillen tussen organismen. Bij het ontstaan van grote verschillen worden ze ingedeeld in aparte groepen. In de stamboom van informatie 1 geven de cijfers 1, 2 en 3 het ontstaan van zulke aparte groepen aan.
In welke volgorde in de tijd zijn deze splitsingen in aparte groepen ontstaan volgens de gegevens in de stamboom? 
1 - 2 - 3 
3 - 2 - 1
3 - 1 - 2 
2 - 1 - 3 
2 - 3 - 1 
1 - 3 - 2 

Slide 35 - Sleepvraag

Afronding evolutie H10
Maak de paragrafen 10.2 en 10.3 (begrippen/samenvatten)
Maak Toepassen Tamme vossen
Maak paragraaf 10.4 (uitleg na de vakantie) (begrippen/samenv.)
Maak toepassen Galapagos
Maak de examentraining
Maak de oefentoets

Slide 36 - Tekstslide