les 4 periode 3

Wanneer ben je een peuter?
A
1-2 jaar
B
2-4 jaar
C
18 maanden en 4 jaar
D
3-5 jaar
1 / 19
volgende
Slide 1: Quizvraag
WelzijnMBOStudiejaar 2

In deze les zitten 19 slides, met interactieve quizzen.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Wanneer ben je een peuter?
A
1-2 jaar
B
2-4 jaar
C
18 maanden en 4 jaar
D
3-5 jaar

Slide 1 - Quizvraag

Peuters:
waar denk je
allemaal aan?

Slide 2 - Woordweb

Vanaf welke leeftijd wordt de peuter zindelijk?
A
Tussen 2 en 3 jaar.
B
Tussen 1 en 2 jaar.

Slide 3 - Quizvraag

Wat verstaan we onder exploratiedrang?
A
Het feit dat het denken van een baby of peuter zich alleen richt op wat tastbaar is.
B
De intense behoefte om de wereld te ontdekken.
C
Het feit dat een peuter wel gevoelsmatig kan meeleven, maar de wereld vanuit zijn eigen gezichtspunt bekijkt.
D
De wil om samen met andere kinderen te spelen en zich met andere kinderen te vermaken.

Slide 4 - Quizvraag

Je doet alsof speelpoppetjes kunnen praten tijdens het spelen.
Dit is een voorbeeld van 'magisch denken'
A
Juist
B
Niet juist

Slide 5 - Quizvraag

Geef een ander woord voor 'koppigheidsfase'.
A
Peutereigenwijsheid
B
Peuter-ongehoorzaamheid
C
Peuterpuberteit
D
Peuterverwaandheid

Slide 6 - Quizvraag

Lichamelijke ontwikkeling
Cognitieve ontwikkeling
Sociale ontwikkeling
Emotionele ontwikkeling
Seksuele ontwikkeling
Grove motoriek
Exploratie-dwang
Tweewoord-zinnen
Concreet denken
Animistisch denken
Driewoordznnen
Parallelspel
Egocentrisme
Koppigheidsfase
Hechtingsfiguren
Ontdekken geslachts-kenmerken
Zindelijkheid

Slide 7 - Sleepvraag

Vanaf welke leeftijd gaat de peuter zijn motorische vaardigheden verder ontwikkelen?
A
Vanaf de beginfase van de peutertijd dus vanaf 18 maanden.
B
Tussen 1 en 2 jaar.
C
Tussen 2 en 3 jaar.
D
Tussen 3 en 4 jaar.

Slide 8 - Quizvraag

Vanaf welke leeftijd begint de peuter zinnen te maken?
A
Vanaf ongeveer 1 jaar.
B
Vanaf ongeveer 2 jaar.
C
Vanaf ongeveer 3 jaar.
D
Vanaf ongeveer 4 jaar.

Slide 9 - Quizvraag

Exploratiedrang is een positieve ontwikkeling van de peuter.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 10 - Quizvraag

Vanaf welke leeftijd ontwikkelt een peuter het “ik-gevoel”?
A
vanaf 1-1,5 jaar
B
vanaf 1,5-2 jaar

Slide 11 - Quizvraag

Leg uit wat ‘parallelspel” bij een peuter inhoudt.
A
Parallelspel is een manier van spelen waarbij een peuter beide handen gebruikt.
B
Parallelspel is een manier van spelen waarbij een peuter samen met een andere peuter speelt.
C
Parallelspel is een manier van spelen waarbij een peuter niet met maar naast de ander speelt.

Slide 12 - Quizvraag

Wanneer noem je een kind een kleuter?
A
1,5 - 4 jaar
B
4-5 jaar
C
4-6 jaar
D
5-7 jaar

Slide 13 - Quizvraag

Wat is de oorzaak van het feit dat kleuters een achterstand kunnen hebben in hun motorische ontwikkeling?
(er kunnen meerdere antwoorden goed zijn!)
A
Omdat hen veel uit handen genomen wordt door ouders/verzorgers.
B
Omdat de hersenen die hiervoor nodig zijn zich later ontwikkelen.
C
Omdat ze te veel achter de computer en televisie zitten.
D
Omdat ze te weinig bewegen.

Slide 14 - Quizvraag

Cognitieve ontwikkeling
Emotionele ontwikkeling
Lichamelijke ontwikkeling
Fantasie
Taakgericht werken
Taal
Zelfbeeld
Schaamtegevoelens
Schuldbewustzijn
Rennen zonder vallen.
Oog-hand-coördinatie.

Slide 15 - Sleepvraag

Wanneer wordt een kind een schoolkind genoemd?
A
6-12 jaar
B
7-11 jaar
C
5-9 jaar
D
8-12 jaar

Slide 16 - Quizvraag

Het oudere schoolkind (9 t/m 12 jaar) voelt zich onstabieler dan het jonge schoolkind (6 t/m 9 jaar).
A
Waar
B
Niet waar

Slide 17 - Quizvraag

Hoe noem je het gedrag
waarbij schoolkinderen zich aanpassen aan de groep?
A
Paralleldenken
B
Conformisme
C
Egocentrisme
D
Realiteitsdenken

Slide 18 - Quizvraag

Plagen
Pesten
Gebeurt af en toe.
Eén of meer kinderen spelen de baas.
Gaat altijd één kant op met vaak hetzelfde slachtoffer.
Voor de lol.
Je kunt zeggen als het niet meer leuk is.
Voor de één is het leuk maar voor de ander niet.

Slide 19 - Sleepvraag