02. 2BKT 2.2 (on)betaalde productie (5-10-26)

H2 Thuis en buitenshuis
B) paragraaf 2: Productie thuis
KT) paragraaf 2: Een etentje thuis
Dit ligt klaar:
  • boek
  • schrift
  • pen
  • rekenmachine
inbellen
1 / 26
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieVoortgezet speciaal onderwijsMiddelbare schoolvmboLeerroute VKLeerroute VBLeerroute VTLeerroute VG

In deze les zitten 26 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

H2 Thuis en buitenshuis
B) paragraaf 2: Productie thuis
KT) paragraaf 2: Een etentje thuis
Dit ligt klaar:
  • boek
  • schrift
  • pen
  • rekenmachine
inbellen

Slide 1 - Tekstslide

Planning hoofdstuk 2
Woensdag 28 oktober
Toets hoofdstuk 2

Slide 2 - Tekstslide

Vandaag
Uitleg Hoofdstuk 2 paragraaf 2(+3)
Vragen beantwoorden
Huiswerk

Slide 3 - Tekstslide


BK

Maken Hoofdstuk 2:
paragraaf 1 
+
Rekentrainers
+
Leren 2.1


KGT

Maken Hoofdstuk 2:
paragraaf 1
+
Rekentrainer
+
Leren 2.1

Huiswerk

Slide 4 - Tekstslide


BK

Maken Hoofdstuk 2:
paragraaf 1 
+
Rekentrainers
+
Leren 2.1


KGT

Maken Hoofdstuk 2:
paragraaf 1
+
Rekentrainer
+
Leren 2.1

Huiswerk 16 oktober

Slide 5 - Tekstslide

Rekentrainer
Controleren

Slide 6 - Tekstslide

'Prioriteiten stellen' betekent...
A
kiezen wat je het leukst vindt
B
kiezen wat je het meest belangrijk vindt
C
kiezen wat je het lekkerst vindt
D
kiezen wat je het minst leuk vindt

Slide 7 - Quizvraag

Wat is consumeren?
A
Iets stelen
B
Geld op je spaarrekening zetten
C
Hetzelfde als schaartse
D
In je behoefte voorzien

Slide 8 - Quizvraag

Kies het begrip dat bij (economische) schaarste hoort:
A
Consumenten moeten kiezen in hun behoeften
B
De mate waarin de consument in zijn behoefte kan voorzien
C
Er is door een aardbeving niet genoeg voedsel
D
Consumenten kunnen in alle behoeften voorzien

Slide 9 - Quizvraag

Doel 2.2:
  • B: Ik kan de waarde uitrekenen van productie thuis.
  • KT: Ik kan de verschillen tussen betaalde en onbetaalde productie benoemen.
  • KT: Ik kan aangeven wat er nodig is voor de productie.

Slide 10 - Tekstslide

Productie
We maken onderscheid tussen:
- Betaalde productie, iets doen of maken tegen betaling
- Onbetaalde productie, iets doen of maken zonder betaald te worden

Slide 11 - Tekstslide

Onbetaalde productie
productie thuis zoals:





Je produceert voor je eigen behoefte of voor elkaars (gezin)
- eten koken
- de was doen
- kinderen verzorgen
- fiets repareren
- de tuin doen

Slide 12 - Tekstslide

Onbetaalde productie
Betaalde productie

Slide 13 - Sleepvraag

Productiefactoren 

Slide 14 - Tekstslide

Kapitaalgoederen
Hulpmiddelen

Slide 15 - Tekstslide

Arbeid

Slide 16 - Tekstslide

Natuur

Slide 17 - Tekstslide

Bespreken

Slide 18 - Tekstslide

Productiefactoren
Kapitaal = huisvesting, machines, transportmiddelen

Arbeid = noodzakelijke arbeid voor de productie

Natuur = grondstoffen en energie 
                            voor productie

Slide 19 - Tekstslide

Betaalde productie
Een kenmerk van de productie door bedrijven is de betaling.

Slide 20 - Tekstslide

Productie uitbesteden

  • Je moet ervoor betalen
  • Je hebt er vaak geen zin in
  • Je hebt er geen tijd voor
Productie thuis

  • Het is (vaak) gratis
  • Het is makkelijk
  • Je hebt wel tijd/zin om het te doen
Het verschil tussen de kosten productie bedrijf en eigen productie = waarde productie thuis

Slide 21 - Tekstslide

Rekenvaardigheden
Ik let er op dat ik:
  • Een berekening geef
  • De eenheid erbij zet: €
  • Een komma zet ipv een punt
  • 2 cijfers achter de komma zet
Besparen door eigen productie

Slide 22 - Tekstslide

Waarde productie thuis
Bv een etentje:
  • - De ingrediënten kosten € 14,10. 
  • - De gerechten kosten € 50 bij het afhaalcentrum. 
Besparing: € 50 − € 14,10 = € 35,90. 

Door productie thuis doe je meer werk, maar bespaar je op de uitgaven. Deze besparing mag je zien als de waarde van de productie thuis.

Slide 23 - Tekstslide

Wanneer je zelf kipdrumsticks maakt kost het €8. Wanneer je ze afhaalt bij het afhaalcentrum kosten ze €15,50. Wat is de waarde van de productie thuis?
A
€ 7,50 = (15,50 - 8)
B
€ 8,00 = (kostprijs drumsticks)
C
€ 15,50 = (kostprijs afhalen)
D
€23,50 = (15,50 + 8)

Slide 24 - Quizvraag


BK

Maken Hoofdstuk 2:
paragraaf 1+2
+
Rekentrainer
+
Leren 2.1+ 2.2


KGT

Maken Hoofdstuk 2:
paragraaf 1+2
+
Rekentrainer
+
Leren 2.1+2.2

Huiswerk

Slide 25 - Tekstslide

Nabespreking
Hoe is het gegaan?
Wat ging goed?
Wat vond je moeilijk?
Welke vragen heb je nog?

Slide 26 - Tekstslide