Wat is LessonUp
Lesbibliotheek
Kanalen
aiToolsTab
Inloggen
Start gratis
‹
Terug naar zoeken
Wi 1 A2 TC 4.11 en 4.12
Dinsdag 13 okt
Welkom
iedereen!
1 / 39
volgende
Slide 1:
Tekstslide
NT2
MBO
Studiejaar 2
In deze les zitten
39 slides
, met
interactieve quizzen
en
tekstslides
.
Start les
Bewaar
Deel
Printen
Dit is niet oké
Onderdelen in deze les
Dinsdag 13 okt
Welkom
iedereen!
Slide 1 - Tekstslide
Lesdoelen
De cursist kan (aan het einde van de week):
De klanken: uw, ieuw, eeuw, auw/ouw: onderscheiden
En (doel eind volgende week): goed uitspreken.
Lesdoel 2: De cursist kan:
de voornaamwoorden:
hem,
het
en
ze
schriftelijk correct toepassen.
Slide 2 - Tekstslide
Programma vandaag
-
Luisteren:
klanken uw, n
ieuw,
eeuw
en bl
auw (4.9
-Schrijven
van deze klanken.
-
HERHALEN
4.10: verwijzen naar
mensen.
-Naar
'''dingen''
verwijzen: Mijn fiets is kapot.
Hij
staat in de schuur (4.12).
Slide 3 - Tekstslide
De klanken (4.9)
Slide 4 - Tekstslide
uw
Slide 5 - Tekstslide
(op)nieuw
Slide 6 - Tekstslide
sneeuw
Slide 7 - Tekstslide
blauw
Slide 8 - Tekstslide
jouw
Slide 9 - Tekstslide
trouwen
Slide 10 - Tekstslide
En nu jullie!
Maak zinnen met de woorden die je straks ziet.
Slide 11 - Tekstslide
Maak een zin met ''Uw..........''
Slide 12 - Open vraag
Maak een zin met: 'het nieuws''
Slide 13 - Open vraag
Maak een zin met ''de sneeuw''
Slide 14 - Open vraag
Maak een zin met ''blauw'' of ''blauwe''
Slide 15 - Open vraag
Herhalen 4.10
Tom helpt
mij
Tom helpt
jou.
Tom helpt
hem
etc.!
Slide 16 - Tekstslide
Mevrouw, is deze tas van u?
Ja, die tas is van ...
Slide 17 - Tekstslide
Wil je deze snoepjes aan je kinderen geven?
Goed, ik geef die snoepjes aan ...
Slide 18 - Tekstslide
4.12 Het ontbijt is klaar. - Olga zet het op tafel.
FILMPJE
Slide 19 - Tekstslide
Je kunt over dingen praten met de woordjes:
hij, het
en
ze
.
Hij,
het
en
ze
staan op de
eerste
plaats in de zin.
Je kunt ook over dingen praten met de woordjes:
hem, het
en
ze.
Deze woordjes staan in
de rest
van de zin.
Slide 20 - Tekstslide
Mijn fiets
is kapot.
Hij
staat in de schuur. Ik breng hem straks naar de fietsenmaker.
Het ontbijt
is klaar.
Het
is lekker. Olga zet
het
op tafel.
Ik heb
schoenen
besteld.
Ze
zijn bruin. Ik heb
ze
nog niet betaald.
Mijn fiets
is kapot.
Hij
staat in de schuur. Ik breng
hem
straks naar de fietsenmaker.
Het ontbijt
is klaar.
Het
is lekker. Olga zet
het
op tafel.
Ik heb
schoenen
besteld.
Ze
zijn bruin. Ik heb
ze
nog niet betaald.
de woorden: de fiets
->
hem
het-woorden: het ontbijt
->
het
meervoud: de schoenen
->
ze
Slide 21 - Tekstslide
4.12 Verwijzen naar........
NU
-Maken opdracht 110 of alternatieve opdracht 10
-Opdracht 111: zoek bij elkaar (inslijpen)
-Maken opdracht 112 of alternatieve opdracht 112
(gestuurde productie)
SPREEKOPDRACHT met hem, het en ze
Slide 22 - Tekstslide
Linda heeft een nieuwe jas gekocht. Zij doet .....in de tas.
A
haar
B
hem
C
het
D
de
Slide 23 - Quizvraag
In Amsterdam zijn veel coffee shops.
........zijn vaak 24 uur per dag open.
A
In Amsterdam
B
Hij
C
ze
D
weet ik veel
Slide 24 - Quizvraag
De trui is te lang. Anna wil hem ruilen.
hem = ????
A
Anna
B
de
C
weet ik veel
D
de trui
Slide 25 - Quizvraag
De autosleutels liggen niet meer op tafel. Ik kan ze nergens vinden.
Ze = .......?
A
mezelf
B
het huis
C
de autosleutels
D
de tafel
Slide 26 - Quizvraag
Sylvia koopt de t-shirts. Zij vindt ze mooi.
Ze = ????
A
de t-shirts
B
de kleren
C
het geld
D
Sylvia
Slide 27 - Quizvraag
De docent schrijft op het bord. Het staat al helemaal vol.
Het = ????
A
de docent
B
het bord
C
weet ik veel
D
de stiften
Slide 28 - Quizvraag
Opdracht 112 TRANSFERCHECK
Kies nu ook het goede antwoord!
Voornaamwoord = het woord waarmee je verwijst naar een eerder woord.
Slide 29 - Tekstslide
De villa is groot en zonnig. Marjolein wilt ......graag kopen.
A
het
B
haar
C
't
D
hem
Slide 30 - Quizvraag
De code is 4167. Je moet ......niet vergeten.
A
ze
B
hem
C
zij
D
haar
Slide 31 - Quizvraag
Je kunt heel lang door het museum wandelen.
...........is heel groot.
A
Het
B
Zij
C
Hem
D
Ze
Slide 32 - Quizvraag
Ik ben mijn fiets vergeten.
......staat nog op school.
Andere docent: Oh, ik haal .....wel even!
A
Zij, haar
B
Het, het
C
Ze, ze
D
Hij, hem
Slide 33 - Quizvraag
Ik ben heel tevreden over deze kleren.
......zitten heel lekker.
A
Hij
B
Ze
C
Hem
D
Het
Slide 34 - Quizvraag
Welk voornaamwoord gebruik je voor een boek?
A
dit
B
hem
C
ze
D
het
Slide 35 - Quizvraag
Welk voornaamwoord gebruik je voor een hond?
A
hij
B
ze
C
het
D
hem
Slide 36 - Quizvraag
Samengevat
Voornaamwoorden om naar
dingen
te verwijzen
vooraan in de zin:
de-woorden (de fiets)--hij
het woorden (het ontbijt)--het
meervoud--ze
Slide 37 - Tekstslide
Samengevat II
Voornaamwoorden om naar
dingen
te verwijzen
in de rest van de zin:
-de-woorden (de fiets)--
hem (!)
-het-woorden (het huis)--het
-meervoud (de schoenen) --ze
Slide 38 - Tekstslide
Verwijzen naar mensen
mij
jou
u
hem
haar
ons
jullie
hen
Slide 39 - Tekstslide
Meer lessen zoals deze
Mijn magische tuin - 3: De snoepjesfee
November 2024
-
19 slides
Muziek
Basisschool
Groep 1,2
Het Koninklijk Concertgebouw
Mijn magische tuin - 3: De snoepjesfee
December 2023
-
19 slides
Muziek
Basisschool
Groep 1,2
Het Koninklijk Concertgebouw
Mijn magische tuin - 2: De snoepjesfee
December 2025
-
21 slides
Muziek
Basisschool
Groep 1,2
Het Koninklijk Concertgebouw
Mijn magische tuin - 2: De snoepjesfee
December 2025
-
21 slides
Muziek
Basisschool
Groep 1,2
Het Koninklijk Concertgebouw
Groep 5-6 | taal | persoonlijke voornaamwoorden
Maart 2026
-
17 slides
Nederlands
Taal
+2
Basisschool
Groep 5,6
TisTaal by Dutchily E.E.
Groep 5-6 | taal | persoonlijke voornaamwoorden
Juli 2025
-
17 slides
Nederlands
Taal
+2
Basisschool
Groep 5,6
TisTaal by Dutchily E.E.
Groep 7-8 | taal | persoonlijke voornaamwoorden
Februari 2026
-
24 slides
Nederlands
Taal
+2
Basisschool
Groep 7,8
TisTaal by Dutchily E.E.
Ouderavond Parijs
September 2026
-
22 slides
Aardrijkskunde
Middelbare school
vmbo t, mavo
Leerjaar 4
Dé Schoolreisgids