Om te produceren zijn productiefactoren nodig. Welke productiefactoren zijn er?
A
Kapitaal, Arbeid, Natuur en Omzet
B
Kennis, Arbeid, Natuur en Omzet
C
Kapitaal, Arbeid, Natuur en Ondernemerschap
D
Kennis, Arbeid, Natuur en Ondernemerschap
Slide 7 - Quizvraag
Productiefactoren en de beloning
Om te produceren heb je productiefactoren nodig.
Iedere productiefactor heeft zijn eigen beloning.
Combineer de productiefactoren met de beloningen.
Arbeid
Kapitaal
Natuur
Ondernemerschap
Loon
Rente
Pacht
Winst
Huur
Slide 8 - Sleepvraag
De overheid
Slide 9 - Tekstslide
Slide 10 - Tekstslide
Slide 11 - Tekstslide
Slide 12 - Tekstslide
De overheid bestaat uit:
De gemeente
De provincie
De rijksoverheid ("het Rijk")
Lagere overheden
Slide 13 - Tekstslide
Rijksoverheid
De Rijksoverheid is de landelijke overheid in Nederland.
Ministeries
eerste en tweede kamer
Belastingdienst
Rijkswaterstaat
Ambtenaren: werken voor rijksoverheid
<div>De rijksoverheid zorgt voor collectieve voorzieningen zoals:</div><ul><li>de veiligheid in ons land (politie en leger)</li><li>onderhoud van de dijken</li><li>onderwijs</li><li>snelwegen</li><li>zorg</li></ul>
Slide 14 - Tekstslide
De provincies
Nederland is verdeeld in provincies.
Het bestuur van de provincie is verantwoordelijk voor de indeling van het grondgebied binnen de provincie.
Zij bepalen waar dorpen en steden mogen
uitbreiden.
bedrijventerreinen en recreatiegebieden aanwijzen
aanleg infrastructuur
Slide 15 - Tekstslide
Gemeente
De gemeente regels alles in je woonplaats.
Je kunt er een paspoort, rijbewijs, ID-kaart halen.
De gemeente wordt bestuurd door een burgemeesters en wethouders.
Het bouwen van woningen
Slide 16 - Tekstslide
Slide 17 - Tekstslide
Drie soorten goederen
Slide 18 - Tekstslide
Individuele goederen en collectieve goederen
Individuele goederen Is voor één persoon beschikbaar of kun je afrekenen aan één persoon. Bedrijven en overheden leveren dit.
voorbeeld: bijna alle goederen (bv een appel)
Collectieve goederen Is voor iedereen beschikbaar, maar kun je niet afrekenen bij één persoon.
De overheid levert dit.
Voorbeeld: Dijken en rechtspraak
Slide 19 - Tekstslide
Collectieve goederen
Goederen die door de overheid worden geleverd en voor iedereen beschikbaar zijn. Niet uitsluitbaar en niet rivaliserend.
Door de overheid geproduceerd
Niet in individuele eenheden te splitsen
Niet mogelijk een individuele prijs voor een goed in rekening te brengen
niet-rivaliserend
waarbij de consumptie door de één niet ten koste gaat van de consumptie door de ander
Slide 20 - Tekstslide
Quasi collectieve goederen
Dit zijn individuele goederen die toch door de overheid worden geleverd, de reden is dat de overheid wil garanderen dat ze voor iedereen betaalbaar en toegankelijk zijn. bijvoorbeeld onderwijs en snelwegen
Slide 21 - Tekstslide
Overzicht goederen
Individuele goederen: Uitsluitbaar & rivaliserend
Collectieve goederen: Niet uitsluitbaar & niet rivaliserend
Quasi collectieve goederen: Hebben 1 van beide kenmerken of individuele goederen die toch door de collectieve sector worden aangeboden
Slide 22 - Tekstslide
Slide 23 - Tekstslide
Ruilen
Slide 24 - Tekstslide
Directe ruil en
indirecte ruil
Goederen tegen goederen ruilen = directe ruil.
Geld tegen een product 'ruilen' =indirecte ruil.
Directe ruil
Slide 25 - Tekstslide
Chartaal geld: het tastbare geld. De munten en biljetten.
Giraal geld: onzichtbare geld, geld op je betaalrekening
Slide 26 - Tekstslide
Vier waardes van geld
Nominale waarde: De waarde die op het geld staat.
Intrinsieke waarde: De waarde van het materiaal
Intrinsieke waarde ≤ nominale waarde
De nominale waarde is altijd hoger omdat er anders een risico bestaat op het omsmelten van de grondstoffen.
Slide 27 - Tekstslide
Functies van geld:
ruilmiddel
rekenmiddel
oppotmiddel (spaarmiddel)
Spaarmiddel: <div>je geeft een deel van je inkomen niet uit, zodat je het later kunt gebruiken</div>
Rekenmiddel: <div>je kunt de waarde van verschillende producten met elkaar vergelijken</div>
Ruilmiddel: <div>je koopt of verkoopt goederen of diensten met geld</div>