In deze les zitten 45 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 5 videos.
Lesduur is: 50 min
Onderdelen in deze les
Slide 1 - Tekstslide
Leerdoelen
-Je kunt uitleggen wat het vermogen van
een apparaat is.
-Je kunt het vermogen berekenen.
-Je kunt uitleggen dat een apparaat met een
groter vermogen meer elektrische energie verbruikt.
Slide 2 - Tekstslide
Spanning
Stroomsterkte
Energie
Vermogen
Overig
Benoem zoveel mogelijk grootheden en eenheden rond elektrische energie.
Slide 3 - Woordweb
Slide 4 - Tekstslide
Vermogen
Slide 5 - Tekstslide
Vermogen (P)
De hoeveelheid energie dat per seconde verbruikt wordt.
Hoe hoger het vermogen, des te meer energieverbruik
Het vermogen staat op een typeplaatje op het apparaat
Slide 6 - Tekstslide
Vermogen berekenen
Vermogen = hoeveel energie een apparaat verbruikt per seconde.
Hangt af van de spanning en de stroomsterkte.
Vermogen = spanning x stroomsterkte
Eenheid vermogen = Watt (W)
Slide 7 - Tekstslide
Slide 8 - Video
Slide 9 - Tekstslide
Slide 10 - Video
Slide 11 - Tekstslide
Omrekenen
Omrekenen doe je zo:
1 kW = 1000 W
1 W = 0,001 kW
Slide 12 - Tekstslide
Slide 13 - Video
Slide 14 - Tekstslide
Slide 15 - Tekstslide
Werk met duo!Kun jij het vermogen ook berekenen?
Slide 16 - Tekstslide
Vermogen - typeplaatje
Het vermogen geeft ook aan wat een apparaat kan. Met een boormachine van 300 watt zal je niet zo makkelijk een gat boren als met een boormachine van 800 watt. Apparaten met een hoger vermogen kunnen meer maar gebruiken ook meer elektrische energie. Hoe groter het vermogen van een apparaat, hoe meer het apparaat kost om het te gebruiken.
Het vermogen van een apparaat staat altijd op het typeplaatje.
Slide 17 - Tekstslide
Voorbeeldopdracht 1
gegevens:
spanning = 12 V
stroomsterkte = 220 mA = 0,22 A
gevraagd:
vermogen = ?
uitwerking:
vermogen = spanning × stroomsterkte
= 12 × 0,22
= 2,64 W
Dit klopt met de waarde die op de website vermeld staat.
Op een website kun je ledlampen kopen voor decoratief gebruik.
Controleer of het vermogen van de lamp in juist is berekend.
Slide 18 - Tekstslide
Energieverbruik
Het energieverbruik hangt af van het vermogen van het apparaat en de tijd die het apparaat aanstaat.
Energieverbruik = vermogen x tijd
E (in kWh) = P (in W) x t (in uren)
Slide 19 - Tekstslide
Slide 20 - Tekstslide
Capaciteit berekenen
Het symbool voor capaciteit is C.
Capaciteit berekenen: C= I x t
In woorden:
Capaciteit = Stroomsterkte (in Ampere) x tijd (in uur)
Slide 21 - Tekstslide
Capaciteit
Capaciteit = stroomsterkte x tijd
C = I x t
Grootheid
Symbool
Eenheid
Afkorting
Capaciteit
C
Ampère-uur
Ah
Tijd
t
Uur
h
Stroomsterkte
I
Ampère
A
Slide 22 - Tekstslide
Capaciteit
Als je een batterij meer gebruikt of er vloeit een grotere stroom, dan is hij sneller leeg.
Slide 23 - Tekstslide
Slide 24 - Video
Formule capaciteit
C = I x t
C = capaciteit (mAh)
I = stroomsterkte (mA)
t = tijd (h)
Stel je voor; de capaciteit v.e. accu is 2300 mAh.
D.w.z. Als er één uur lang 2300 mA vloeit is deze leeg.
Slide 25 - Tekstslide
Rekenvoorbeeld capaciteit
Bereken hoe lang een accu met een capaciteit van 1000 mAh mee gaat als er 0,1 A vloeit.
Slide 26 - Tekstslide
Slide 27 - Video
Maak opdrachten van paragraaf 4
timer
15:00
Slide 28 - Tekstslide
Leerdoelen
-Je kunt uitleggen wat het vermogen van
een apparaat is.
-Je kunt het vermogen berekenen.
-Je kunt uitleggen dat een apparaat met een
groter vermogen meer elektrische energie verbruikt.
Slide 29 - Tekstslide
Wat verbruikt meer energie? Een boormachine of een waterkoker?
A
Boormachine
B
Waterkoker
C
Moet ik opzoeken
D
Geen idee
Slide 30 - Quizvraag
Verbindt de grootheden met de juiste eenheden.
Watt
Volt
Joule
Ampère
Spanning
Energie
Stroom sterkte
Vermogen
Slide 31 - Sleepvraag
Wat is vermogen?
Slide 32 - Open vraag
Wat is Watt?
A
Grootheid
B
Anders....
C
Stroomkracht
D
Eenheid van vermogen
Slide 33 - Quizvraag
Waarin meet je het vermogen?
A
Ampère
B
Volt
C
Watt
D
Uren
Slide 34 - Quizvraag
Wat is de formule om vermogen te berekenen?
Slide 35 - Open vraag
Bereken het vermogen: 1,5 V / 2 A
Slide 36 - Open vraag
Wat is het vermogen van een lamp?
Slide 37 - Open vraag
formule van vermogen is
A
vermogen = spanning / stroomsterkte
B
vermogen = spanning x stroomsterkte
C
vermogen = spanning + stroomsterkte
D
vermogen = spanning - stroomsterkte
Slide 38 - Quizvraag
Vermogen =
X
......................
........................
Tijd
Windingen
Stroomsterkte
Spanning
Slide 39 - Sleepvraag
Mijn laptop werkt op een spanning van 12 v. de stroomsterkte is 2 A Hoe groot is het vermogen?
A
24 V
B
24 W
C
6 W
D
14 V
Slide 40 - Quizvraag
wat is de juiste berekening
A
Vermogen= spanning x stroomsterkte
B
Spanning= vermogen x stroomsterkte
C
Stroomsterkte= spanning x vermogen
Slide 41 - Quizvraag
Wat moet er op de stippellijn? …..................= spanning x stroomsterkte.
A
adapter
B
vermogen
C
energie
D
dichtheid
Slide 42 - Quizvraag
Bereken het vermogen van een TV die is aangesloten op de netspanning. Er loopt een stroom van 0,2 A doorheen.