4.4 VERMOGEN EN ENERGIE

1 / 45
volgende
Slide 1: Tekstslide
NatuurkundeMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 2

In deze les zitten 45 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 5 videos.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Leerdoelen
-Je kunt uitleggen wat het vermogen van 
een apparaat is.

-Je kunt het vermogen berekenen.

-Je kunt uitleggen dat een apparaat met een 
groter vermogen meer elektrische energie verbruikt.

Slide 2 - Tekstslide

Spanning
Stroomsterkte
Energie
Vermogen
Overig
Benoem zoveel mogelijk grootheden en eenheden rond elektrische energie.

Slide 3 - Woordweb

Slide 4 - Tekstslide

Vermogen

Slide 5 - Tekstslide

Vermogen (P)
  • De hoeveelheid energie dat per seconde verbruikt wordt.
  • Hoe hoger het vermogen, des te meer energieverbruik
  • Het vermogen staat op een typeplaatje op het apparaat

Slide 6 - Tekstslide

Vermogen berekenen
Vermogen = hoeveel energie een apparaat verbruikt per seconde.
Hangt af van de spanning en de stroomsterkte.

Vermogen = spanning x stroomsterkte

Eenheid vermogen = Watt (W)

Slide 7 - Tekstslide

Slide 8 - Video

Slide 9 - Tekstslide

Slide 10 - Video

Slide 11 - Tekstslide

Omrekenen
 
Omrekenen doe je zo: 

1 kW = 1000 W 
1 W = 0,001 kW
 

Slide 12 - Tekstslide

Slide 13 - Video

Slide 14 - Tekstslide

Slide 15 - Tekstslide

Werk met duo!Kun jij het vermogen ook berekenen?

Slide 16 - Tekstslide

Vermogen - typeplaatje
Het vermogen geeft ook aan wat een apparaat kan. Met een boormachine van 300 watt zal je niet zo makkelijk een gat boren als met een boormachine van 800 watt. Apparaten met een hoger vermogen kunnen meer maar gebruiken ook meer elektrische energie. Hoe groter het vermogen van een apparaat, hoe meer het apparaat kost om het te gebruiken.
Het vermogen van een apparaat staat altijd op het typeplaatje.

Slide 17 - Tekstslide

Voorbeeldopdracht 1



gegevens: 
spanning = 12 V 
stroomsterkte = 220 mA = 0,22 A 

gevraagd: 
vermogen = ? 

uitwerking: 
vermogen = spanning × stroomsterkte 
= 12 × 0,22  
= 2,64 W  
Dit klopt met de waarde die op de website vermeld staat.
 
Op een website kun je ledlampen kopen voor decoratief gebruik. 
Controleer of het vermogen van de lamp in juist is berekend. 

Slide 18 - Tekstslide

Energieverbruik

Het energieverbruik hangt af van het vermogen van het apparaat en de tijd die het apparaat aanstaat.


Energieverbruik = vermogen x tijd

E (in kWh) = P (in W) x t (in uren)

Slide 19 - Tekstslide

Slide 20 - Tekstslide

Capaciteit berekenen
Het symbool voor capaciteit is C. 

Capaciteit berekenen: C= I x t

In woorden: 

Capaciteit = Stroomsterkte (in Ampere) x tijd (in uur)

Slide 21 - Tekstslide

Capaciteit
Capaciteit = stroomsterkte x tijd
C = I x t
Grootheid
Symbool
Eenheid
Afkorting
Capaciteit
C
Ampère-uur
Ah
Tijd
t
Uur
h
Stroomsterkte 
Ampère 
A

Slide 22 - Tekstslide

Capaciteit
Als je een batterij meer gebruikt of er vloeit een grotere stroom, dan is hij sneller leeg.

Slide 23 - Tekstslide

Slide 24 - Video

Formule capaciteit
C = I x t
C = capaciteit (mAh)
I = stroomsterkte (mA)
t = tijd (h)

Stel je voor; de capaciteit v.e. accu is 2300 mAh.
D.w.z. Als er één uur lang 2300 mA vloeit is deze leeg.

Slide 25 - Tekstslide

Rekenvoorbeeld capaciteit
Bereken hoe lang een accu met een capaciteit van 1000 mAh mee gaat als er 0,1 A vloeit.

Slide 26 - Tekstslide

Slide 27 - Video

Maak opdrachten van paragraaf 4
timer
15:00

Slide 28 - Tekstslide

Leerdoelen
-Je kunt uitleggen wat het vermogen van 
een apparaat is.

-Je kunt het vermogen berekenen.

-Je kunt uitleggen dat een apparaat met een 
groter vermogen meer elektrische energie verbruikt.

Slide 29 - Tekstslide

Wat verbruikt meer energie?
Een boormachine of een waterkoker?
A
Boormachine
B
Waterkoker
C
Moet ik opzoeken
D
Geen idee

Slide 30 - Quizvraag

Verbindt de grootheden met de juiste eenheden.
Watt
Volt
Joule
Ampère
Spanning
Energie
Stroom sterkte
Vermogen

Slide 31 - Sleepvraag

Wat is vermogen?

Slide 32 - Open vraag

Wat is Watt?
A
Grootheid
B
Anders....
C
Stroomkracht
D
Eenheid van vermogen

Slide 33 - Quizvraag

Waarin meet je het vermogen?
A
Ampère
B
Volt
C
Watt
D
Uren

Slide 34 - Quizvraag

Wat is de formule om vermogen te berekenen?

Slide 35 - Open vraag

Bereken het vermogen:
1,5 V / 2 A

Slide 36 - Open vraag

Wat is het vermogen van een lamp?

Slide 37 - Open vraag

formule van vermogen is
A
vermogen = spanning / stroomsterkte
B
vermogen = spanning x stroomsterkte
C
vermogen = spanning + stroomsterkte
D
vermogen = spanning - stroomsterkte

Slide 38 - Quizvraag

Vermogen =
X
......................
........................
Tijd
Windingen
Stroomsterkte
Spanning

Slide 39 - Sleepvraag

Mijn laptop werkt op een spanning van 12 v. de stroomsterkte is 2 A
Hoe groot is het vermogen?
A
24 V
B
24 W
C
6 W
D
14 V

Slide 40 - Quizvraag

wat is de juiste berekening
A
Vermogen= spanning x stroomsterkte
B
Spanning= vermogen x stroomsterkte
C
Stroomsterkte= spanning x vermogen

Slide 41 - Quizvraag

Wat moet er op de stippellijn? …..................= spanning x stroomsterkte. ​
A
adapter
B
vermogen
C
energie
D
dichtheid

Slide 42 - Quizvraag

Bereken het vermogen van een TV die is aangesloten op de netspanning. Er loopt een stroom van 0,2 A doorheen.
A
1150 W
B
11,5 W
C
46 W
D
460 W

Slide 43 - Quizvraag

1 W is hetzelfde als……?
A
0,1 kW
B
100 mW
C
0,001 kW
D
1 mW

Slide 44 - Quizvraag

1 kW is….?
A
10 W
B
1000 W
C
100 W
D
10.000 W

Slide 45 - Quizvraag