2havo - les 12 Spelling h4 (ww) en Schrijven H2

Welkom


Nederlands
1 / 20
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

In deze les zitten 20 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Welkom


Nederlands

Slide 1 - Tekstslide

Welkom
- jas weg                                                          - geen eten en drinken
- telefoon weg                                              - capuchon af
- boek op tafel                                               - ademen
- chromebook op tafel
timer
3:00

Slide 2 - Tekstslide

Terugblik
- Lezen H4:
Feiten, meningen en argumenten

- Kijken en luisteren
Een presentatie beoordelen

Slide 3 - Tekstslide

Doelen
Lezen in een boek (4 februari)

Spelling ww H4
Je leert over de persoonsvorm in de verleden tijd: -de(n), dde(n), -te(n), tte(n).

Schrijven H4
Een overtuigende tekst


Slide 4 - Tekstslide

timer
10:00

Slide 5 - Tekstslide

Spelling H4: Meer lastige werkwoordsvormen
Doel:
Je leert over de persoonsvorm in de verleden tijd: -de(n), dde(n), -te(n), tte(n).
pv of niet?
sterke/zwakke werkwoorden
kfschptx = te(n)
onderwerp?

Slide 6 - Tekstslide

VERLEDENTIJD

Slide 7 - Tekstslide

Spelling H4
Er zijn werkwoorden die op verschillende manieren geschreven worden en toch hetzelfde klinken: kosten – kostten; vergoeden – vergoedden; verbrandde – verbrande. Het gaat steeds om werkwoorden waarbij de ik-vorm tt op -d of -t eindigt: kosten – kost; vergoeden – vergoed.

Om de juiste keuze te maken tussen -de(n) en -dde(n) of tussen -te(n) en -tte(n), moet je vaststellen met welke werkwoordsvorm je te maken hebt.

Gaat het om een persoonsvorm, een infinitief (het hele werkwoord) of een bijvoeglijk naamwoord?

Slide 8 - Tekstslide

PV TT of VT
De persoonsvorm tegenwoordige tijd (pvtt) meervoud schrijf je met -den en -ten:

 
– behoeden: Ouders behoeden hun kinderen graag voor narigheid.
– posten: Posten jullie deze brieven vandaag nog?
De persoonsvorm verleden tijd (pvvt) schrijf je met -dde(n) of -tte(n):
– landen: Hoe laat landden die passagiers gisteren op Schiphol?
– misten: Het mistte vanmorgen in grote delen van het land.

Slide 9 - Tekstslide

INFINITIEF
Van een infinitief (inf) vind je de spelling in het woordenboek:
– losbarsten: Wanneer zal het feest losbarsten?
– wedden: Daar gaan we zeker niet om wedden!

Slide 10 - Tekstslide

BIJVOEGLIJK NAAMWOORD
Van een voltooid deelwoord (vd) kun je een bijvoeglijk naamwoord (bn) maken. Als het voltooid deelwoord eindigt op -d of -t, schrijf je het bn zo kort mogelijk, dus met -de of -te.
– vergoeden → vergoed: de vergoede schade;
– testen → getest: het uitvoerig geteste vuurwerk.
Maar soms is -dde of -tte nodig voor de uitspraak:
– redden → gered: de geredde vluchteling;
– witten → gewit: de gewitte muur.

Slide 11 - Tekstslide

PV VINDEN
Hoe vind je de PV?


Slide 12 - Tekstslide

PV

1. Vraagzin maken?

1a. Verledentijd? Sterk/zwak
2a. Stam (-en)
3. KFSCHPTX
ik-vorm + te(n) of de(n)

BIJVOEGLIJK GEBRUIKT WERKWOORD


1b. Bijvoeglijk gebruikt?
2. KFSCHPTX = te
3. Zo kort mogelijk

vergroten = de vergrote auto
Spelling H4: Maken: 1 t/m 5 + 9
timer
20:00

Slide 13 - Tekstslide

Een overtuigende tekst schrijven
Met een overtuigende tekst probeer je lezers te winnen voor jouw mening. Een overtuigende tekst bevat een duidelijk standpunt, bijvoorbeeld Elke leerling moet een tablet of laptop hebben. Voor dat standpunt geef je goede argumenten: je maakt duidelijk waarom je dat standpunt inneemt. In je argumenten probeer je feiten te noemen die jouw standpunt ondersteunen.

Slide 14 - Tekstslide

Inleiding
Schrijf de inleiding: omschrijf het onderwerp en kondig je standpunt aan met signaalwoorden zoals Ik vind …, Ik ben van mening dat …, Het wordt tijd dat ….




Slide 15 - Tekstslide

Middenstuk
Gebruik in het middenstuk bij elk nieuw argument signaalwoorden voor een opsomming: om te beginnen, bovendien, vervolgens, daarnaast, ook, ten slotte.

Slide 16 - Tekstslide

Slot
Herhaal in het slot kort je standpunt.
Gebruik signaalwoorden voor een conclusie: al met al, kortom, daarom, dus.


Zet een titel boven je tekst.

Slide 17 - Tekstslide

Een overtuigende tekst schrijven
Met een overtuigende tekst probeer je lezers te winnen voor jouw mening. Een overtuigende tekst bevat een duidelijk standpunt, bijvoorbeeld Elke leerling moet een tablet of laptop hebben. Voor dat standpunt geef je goede argumenten: je maakt duidelijk waarom je dat standpunt inneemt. In je argumenten probeer je feiten te noemen die jouw standpunt ondersteunen.
Maken: opdracht 3
timer
30:00

Slide 18 - Tekstslide

Doelen
Je leert over de persoonsvorm in de verleden tijd: -de(n), dde(n), -te(n), tte(n).

Een overtuigende tekst schrijven.

Gelukt?

Slide 19 - Tekstslide

Huiswerk
Boek meenemen
Spelling H4: 1, 2, 3, 4, 5, 9

Slide 20 - Tekstslide