BCC les 2 H1

BCC

H1, BTW en prijzen.

1 / 19
volgende
Slide 1: Slide
newEditorBedrijfseconomieMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 19 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

BCC

H1, BTW en prijzen.

Planning komende weken

  • Week 36 -> Hoofdstuk 1.3 t/m 1.4

  • Week 37 -> Hoofdstuk 1.5 t/m 1.7

  • week 38 -> Hoofdstuk 2.3 t/m 2.5

  • Week 39 -> Hoofdstuk 2.6 t/m 2.8

  • Week 40 -> Hoofdstuk 2.9 t/m 2.11

  • Week 41 -> Hoofdstuk 2.13 en een oefentoets.

  • Week 42 -> Herfstvakantie.

  • Week 43-> Oefentoetsen.

  • Week 44-> Oefentoetsen.

  • Week 45 ->Toetsweek.

Leerdoelen van vandaag

Aan het einde van deze les kun je:

  • Uitleggen wat btw betekent.

  • Uitleggen wie de btw uiteindelijk betaalt.

  • Het verschil benoemen tussen exclusief en inclusief btw.

  • Uitleggen wat inkoopprijs, verkoopprijs en consumentenprijs zijn.

  • De btw berekenen.

  • Uitleggen waarom een ondernemer btw afdraagt.

  • De btw-tarieven 21%, 9% en 0% herkennen.

Je koopt een broodje voor €5,45.
Waar denk je dat dit geld allemaal naartoe gaat?

Waar staat btw voor?

A

Belasting totale waarde

B

Bedrag totale winkelprijs

C

Belasting toegevoegde waarde

D

Belasting tussen winkels


Wat gebeurt er met de BTW?

Als je iets koopt, betaal je de consumentenprijs. In deze prijs zit btw.

De ondernemer ontvangt het hele bedrag van de klant, maar de btw mag hij niet zelf houden. Hij draagt de btw af aan de Belastingdienst.


Voorbeeld:

Een klant betaalt €121 voor een product.

€100 = verkoopprijs
€21 = btw
€121 = consumentenprijs

De €21 is dus niet voor de ondernemer.


Onthoud:
De consument betaalt de btw. De ondernemer draagt de btw af.

Een klant koopt een product voor €242 inclusief 21% btw.

Wie betaalt uiteindelijk de btw?

A

De Belastingdienst

B

De ondernemer

C

De consument

D

De leverancier

Inclusief of exclusief BTW?

Je komt deze twee begrippen vaak tegen:

Exclusief btw = de prijs zonder btw.

Inclusief btw = de prijs met btw.


  • Voorbeeld bij 21% btw:

€100 exclusief btw

€21 btw
= €121 inclusief btw


De prijs inclusief btw noemen we bij verkoop aan de consument ook wel de consumentenprijs.

BTW berekenen

Stel:

Een product kost €200 exclusief btw.
Het btw-tarief is 21%.

Stap 1: bereken 1%

€200 ÷ 100 = €2

Stap 2: bereken 21%

€2 × 21 = €42 btw

Stap 3: tel de btw erbij op

€200 + €42 = €242 inclusief btw

Dus de consument betaalt €242.

Van inclusief naar exclusief

Bij 21% is de prijs inclusief btw gelijk aan 121%.

Bij 9% is de prijs inclusief btw gelijk aan 109%


Via verhoudingstabel.


Sneller rekenen met een vermenigvuldigingsfactor.

21% btw erbij: exclusief bedrag × 1,21

9% btw erbij: exclusief bedrag × 1,09

0% btw erbij: exclusief bedrag × 1,00

Voorbeeld: €200 × 1,21 = €242

Een winkel verkoopt een product voor €90 exclusief btw.
De btw is 21%.

Hoeveel btw komt erbij?

A

18,90

B

A€9,00

C

€18,20

D

€108,90

BTW voor een ondernemer

Voordat een winkel iets kan verkopen, moet de ondernemer het vaak eerst inkopen.

Bijvoorbeeld:

De ondernemer koopt een product in voor €100 exclusief btw.

Bij 9% btw:

Inkoopprijs: €100
Btw: €9
Inkoopfactuurprijs: €109



De inkoopprijs is dus exclusief btw.

De inkoopfactuurprijs is inclusief btw.

De ondernemer betaalt bij het inkopen dus óók btw.

BTW afdragen en terugvragen

Een ondernemer krijgt op twee manieren met btw te maken:

Bij INKOOP
De ondernemer koopt producten en betaalt btw aan de leverancier.

Deze betaalde btw mag de ondernemer terugvragen / aftrekken bij de Belastingdienst.
Dit noemen we voorbelasting.

Bij VERKOOP
De ondernemer verkoopt producten en ontvangt btw van de klant.

Deze ontvangen btw moet de ondernemer afdragen aan de Belastingdienst.


Hoeveel moet de ondernemer uiteindelijk betalen?

Ontvangen btw − betaalde btw = af te dragen btw

Verkoop


De ondernemer verkoopt hetzelfde product voor €150 exclusief btw.

Bij 9% btw:

Verkoopprijs: €150
Btw: €13,50
Consumentenprijs: €163,50

Dus:

Verkoopprijs = exclusief btw
Consumentenprijs = inclusief btw


Inkoop:
€100 → + €9 btw → €109

Verkoop:
€150 → + €13,50 btw → €163,50

Een ondernemer verkoopt een product voor €75 exclusief btw.

Hoe noemen we die €75?

A

Inkoopprijs

B

Inkoopfactuurprijs

C

Verkoopprijs

D

Consumentenprijs

BTW is geen winst

Dit is een belangrijk verschil.

De ondernemer:

koopt in voor €100 exclusief btw
verkoopt voor €150 exclusief btw

Het verschil is:

€150 − €100 = €50

Voor het bepalen van dit verschil kijken we naar de bedragen exclusief btw.

Waarom?

Omdat de btw niet van de ondernemer is. De btw wordt uiteindelijk afgedragen aan de Belastingdienst.

Daarom laat je de btw buiten beschouwing bij deze berekening.

Btw is een indirecte belasting

Er bestaan directe en indirecte belastingen.

Directe belasting
Je betaalt de belasting rechtstreeks aan de overheid.

Bijvoorbeeld: inkomstenbelasting.

Indirecte belasting
Je betaalt de belasting via iemand anders.

Btw is indirect:

Consument → betaalt btw aan ondernemer → ondernemer draagt btw af aan overheid

Daarom noemen we btw een indirecte belasting.

Hoeveel BTW betaal je?

Niet op ieder product geldt hetzelfde btw-tarief.

21% – algemeen tarief
Dit geldt voor veel goederen en diensten.

9% – verlaagd tarief
Dit geldt bijvoorbeeld voor veel voedingsmiddelen.

0% – nultarief
Dit komt onder andere voor bij bepaalde leveringen naar het buitenland.

Daarnaast zijn sommige goederen en diensten vrijgesteld van btw.