Staatsvorming en globalisering (Maatschappijwetenschappen vwo), les 1: Uitleg

VERANDERING · DRIE PROCESSEN

Staatsvorming en globalisering

Examenstof maatschappijwetenschappen vwo

1 / 22
volgende
Slide 1: Slide
newEditorMaatschappijwetenschappenMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

In deze les zitten 22 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min
Dit is niet oké

Introductie

Uitleg over staatsvorming (depersonalisering, formalisering, integratie, soevereiniteit), democratisering (rechtsstaat, volksvertegenwoordiging, kanttekeningen) en globalisering (hyper- en andersglobalisten, functionalisme) voor het vwo-examen maatschappijwetenschappen.

Onderdelen in deze les

VERANDERING · DRIE PROCESSEN

Staatsvorming en globalisering

Examenstof maatschappijwetenschappen vwo

Les 1 van 3: uitleg. Les 2 is de examentraining, les 3 de terugblik met quiz. Syllabus: E2 (20.1-20.3). Image credit: Gerrit Adriaensz. Berckheyde / Wikimedia Commons, publiek domein

VERANDERING · DRIE PROCESSEN

Wat ga je kunnen?

Ik kan beschrijven hoe staatsvorming, democratisering en globalisering worden beschouwd als typerend voor de ontwikkeling van westerse samenlevingen van traditioneel naar modern.

Deze slide heeft geen instructies

Welke woorden passen bij de stap van traditioneel naar modern?

Laat leerlingen woorden inbrengen. Verwachte woorden: staat, wet, belasting, stemmen, rechten, internationaal, handel, internet. Groepeer op het bord in drie kolommen (staat, burger, wereld) en leg uit dat de les precies die drie processen behandelt: staatsvorming (20.1), democratisering (20.2) en globalisering (20.3). Soevereiniteit van het statensysteem en culturele gevolgen van globalisering staan in de les Mondiale machtsverhoudingen; natievorming en rationalisering staan in eigen lessen.

VERANDERING · DRIE PROCESSEN

Staatsvorming: macht wordt een staat

  • Staatsvorming: de institutionalisering van politieke macht tot een staat.

  • De politieke macht breidt zich uit en verandert door drie processen.

  • Depersonalisering: macht hoort bij de rol (burgemeester), niet bij de persoon of familie.

  • Formalisering: rechten en plichten liggen vast in wetten en contracten; de wet beperkt de macht.

  • Integratie: belasting en wetgeving leggen beslag op hulpbronnen, maar markt en burgerlijke samenleving houden ruimte.

Syllabus 20.1: staatsvorming is de institutionalisering van politieke macht tot een staat. De macht breidt zich uit en verandert door depersonalisering, formalisering en integratie. Depersonalisering: een burgemeester heeft macht door zijn rol; stopt hij, dan stopt de macht. Formalisering: wetgeving wordt het unieke domein van de politiek, lokale tradities verliezen rechtskracht. Integratie: de staat legt beslag op hulpbronnen via belasting en wet, maar erkent ruimte voor markt en burgerlijke samenleving; die drie sferen raken steeds op nieuwe manieren verknoopt. Veelgemaakte fout: formalisering en integratie door elkaar halen. Formalisering gaat over de wet, integratie over de verhouding tussen staat, markt en burgerlijke samenleving.

De Dam in Amsterdam, handelsstad in de zeventiende eeuw

VERANDERING · DRIE PROCESSEN

Van handelsstad tot premoderne staat

  • Late middeleeuwen: urbanisatie, meer handel en een groeiende stadsbevolking.

  • Koloniën leverden grondstoffen en afzetmarkten; burgers werden economisch zelfstandiger.

  • Vorsten wilden steun en belasting; ze gaven vrije handel, één wet en munt, veiligheid.

  • Concurrentie tussen staten: nieuwe wapens en een vaste bureaucratie van ambtenaren.

Syllabus 20.1: staatsvorming is een combinatie van economische, culturele en politieke ontwikkelingen. Urbanisatie, handel en de verovering van nieuwe werelddelen versterkten de economische positie van de burgers ten opzichte van de feodale adel. Machthebbers hadden hun steun en belasting nodig; in ruil kwamen er vrije handel, eenheid in wet en munt, veiligheid (een leger) en een hoogste rechter. Concurrentie tussen staten leidde tot technologische vernieuwing (vuurwapens, kanonnen) en tot een vaste bureaucratie voor handel en moderne oorlogen. De foto toont de Dam in Amsterdam. Veelgemaakte fout: denken dat de burgers de macht overnamen. Het was een ruil. Image credit: Gerrit Adriaensz. Berckheyde / Wikimedia Commons, publiek domein

Grote Vergadering van de Staten-Generaal in Den Haag, 1651

VERANDERING · DRIE PROCESSEN

Premoderne staat en soevereiniteit

  • Feodale samenlevingen verdwenen; premoderne staten ontstonden.

  • De standen of Statenvergaderingen: eerste vorm van representatie in de premoderne staat.

  • Interne soevereiniteit: hoogste gezag binnen een grondgebied, met geweldsmonopolie en belastingmonopolie.

  • Externe soevereiniteit: andere staten erkennen dat gezag; het staat niet onder een ander staatsgezag.

Syllabus 20.1: de standen of Statenvergaderingen zijn de eerste aanzet tot moderne politieke instituties. De staat is intern soeverein: hoogste gezag over een groep mensen, binnen een grondgebied, met geweldsmonopolie en belastingmonopolie. Extern soeverein: andere staten erkennen het gezag en het is niet ondergeschikt aan andere staten. Het statensysteem zelf staat in de les Mondiale machtsverhoudingen; herhaal dat hier niet. De foto toont de Grote Vergadering van de Staten-Generaal in 1651. Veelgemaakte fout: intern en extern verwisselen. Intern is gezag binnen de grenzen, extern is erkenning van buiten. Image credit: Toegeschreven aan Bartholomeus van Bassen en Anthonie Palamedesz. / Wikimedia Commons, publiek domein

Een raadslid verliest de verkiezingen en kan geen besluiten meer nemen. Welk proces?

A

Formalisering van rechten en plichten

B

Integratie van markt en burgerlijke samenleving

C

Depersonalisering van de politieke macht

D

Externe soevereiniteit van de staat

Syllabus 20.1: de macht hoort bij de rol, niet bij de persoon. Verwachte fout: formalisering kiezen omdat er een regel is die zegt wie mag besluiten.

Vul in

Het geweldsmonopolie en het belastingmonopolie horen bij interne soevereiniteit; bij externe soevereiniteit erkennen andere staten het gezag.

geweldsmonopolie
interne
externe
formele
personele

Syllabus 20.1. Verwachte fout: intern en extern omdraaien.

Demonstratie voor vrouwenkiesrecht in Amsterdam, 1914

VERANDERING · DRIE PROCESSEN

Democratisering in twee betekenissen

  • Politiek: een systeem ontwerpen en uitbouwen waarin burgers meebeslissen.

  • Breder: democratisering is meer inspraak en medezeggenschap voor wie minder macht heeft.

  • Politiek vooral representatieve democratie, in andere domeinen vaak directe democratie.

Syllabus 20.2: democratie kent meerdere vormen. In het politieke domein gaat het om het ontwerpen, consolideren en uitbouwen van een systeem met burgerparticipatie. In bredere zin: het proces van verandering van de machts- en gezagsverhoudingen door grotere inspraak en medezeggenschap van degene met minder macht. In beide vormen gaat het om druk om participatie, rechten en verantwoordelijkheden van burgers uit te breiden. De foto toont een demonstratie voor vrouwenkiesrecht in Amsterdam, 1914. Veelgemaakte fout: democratisering gelijkstellen aan stemmen. Het begrip is breder. Image credit: Nationaal Archief / Wikimedia Commons, publiek domein

Plenaire zaal van de Tweede Kamer in Den Haag

VERANDERING · DRIE PROCESSEN

Rechten, rechtsstaat en parlement

  • Burgers bedongen achtereenvolgens vrijheidsrechten, politieke rechten en sociale rechten.

  • Dit past bij een individualistische ideologie: gelijkheid en meer vrijheid ten opzichte van de staat.

  • Rechtsstaat: steeds meer groepen kregen rechten; bedrijven zijn rechtspersonen.

  • Volksvertegenwoordiging: soevereiniteit bij het volk, partijen vertegenwoordigen groepen burgers.

Syllabus 20.2: in een langdurig proces bedongen burgers vrijheidsrechten, politieke en sociale rechten; dit past bij een individualistische ideologie met gelijkheid als onderling principe. Eerste ontwikkeling: de uitbouw van de rechtsstaat, waardoor niet alleen elites rechten kregen en ook bedrijven en organisaties rechtspersonen werden. Tweede ontwikkeling: de volksvertegenwoordiging; de moderne westerse samenleving heeft de parlementaire democratie, de soevereiniteit ligt bij het volk en actief en passief kiesrecht staan centraal. Partijen representeren de opvattingen van groepen burgers. Veelgemaakte fout: soevereiniteit van het volk verwarren met soevereiniteit van de staat uit blok 1. Image credit: Husky / Wikimedia Commons, CC BY 4.0

VERANDERING · DRIE PROCESSEN

Kanttekeningen bij democratisering

  • Door internationale organisaties (globalisering) kunnen burgers machthebbers minder goed controleren.

  • Meer democratisering geeft meer legitimiteit, maar besluiten duren langer en zijn minder daadkrachtig door compromissen.

  • Deelnemers aan participatie zijn niet representatief: vooral gemiddeld tot hoog opgeleid, middelbare leeftijd, Nederlandse achtergrond.

  • Machtsbronnen zijn ongelijk verdeeld; meer participatie-instrumenten bereikten jongeren en migranten niet.

Syllabus 20.2, kanttekeningen 1 tot 3. Over de wenselijkheid van verdergaande democratisering verschillen mensen van mening. Kanttekening 1 verwijst naar globalisering: het gewicht van internationale organisaties neemt toe. Kanttekening 2: legitimiteit tegenover daadkracht. Kanttekening 3 gaat over Nederland: deelnemers zijn geen representatieve groep, mede door ongelijk verdeelde machtsbronnen. Veelgemaakte fout: de kanttekeningen lezen als bewijs dat democratisering mislukt is. Het zijn nadelen die bij het proces horen.

Werknemers stemmen mee over een reorganisatie van hun bedrijf. Wat past hierbij?

A

Democratisering buiten politiek, via directe democratie

B

Democratisering in politiek, via representatieve democratie

C

Staatsvorming door formalisering van rechten

D

Depersonalisering van de macht van de directeur

Syllabus 20.2: in andere domeinen gaat het om vormen van directe democratie. Verwachte fout: kiezen voor representatieve democratie omdat het woord democratie valt.

Noem een kanttekening bij democratisering.

Goed: minder controle door internationale organisaties, meer legitimiteit maar minder daadkracht, of deelnemers aan participatie niet representatief. Verwachte fout: alleen zeggen dat democratie slecht is. Syllabus 20.2.

Containerterminal op de Maasvlakte bij Rotterdam

VERANDERING · DRIE PROCESSEN

Wat is globalisering?

  • Globalisering: uitbreiding en intensivering van contacten en afhankelijkheden over zeer grote afstanden.

  • Op economisch, juridisch, politiek, sociaal-cultureel en ecologisch gebied: een global society.

  • Meer handel; machtige multinationals; supranationale handelsblokken.

  • VN en EU worden belangrijker; migratie en culturele uitwisseling nemen toe.

Syllabus 20.3: globalisering is het proces van uitbreiding en intensivering van contacten en afhankelijkheden over zeer grote afstanden en over landsgrenzen heen, op economisch, juridisch, politiek, sociaal-cultureel en ecologisch gebied. Voorbeelden uit de syllabus: meer internationale handel, door de groei van multinationals supranationale handelsblokken, internationale samenwerkingsrelaties als de VN en de EU, toegenomen migratie en culturele uitwisseling. Vrijwel de hele wereld is communicatief verbonden en alle delen van het ecosysteem zijn met elkaar verbonden: processen aan de ene kant van de wereld hebben gevolgen voor andere delen. De foto toont een containerterminal. Culturele gevolgen staan uitgebreider in Mondiale machtsverhoudingen. Veelgemaakte fout: globalisering gelijkstellen aan handel. Image credit: Spielvogel / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

Betoging tegen globalisering tijdens de G8-top in Genua, 2001

VERANDERING · DRIE PROCESSEN

Hyperglobalisten en andersglobalisten

  • Hyperglobalisten zien groeikansen en willen ecologische problemen met technologie aanpakken.

  • Zij wijzen op internationale organisaties die samenwerken om groei te bevorderen.

  • Andersglobalisten willen een pas op de plaats: overproductie, overconsumptie, milieubelasting.

  • Zij vrezen een homogenere populaire cultuur en mondiale media met weinig variatie in aanbod.

Syllabus 20.3: voorstanders (hyperglobalisten) wijzen op het groeiperspectief, economische ontwikkeling, technologie tegen ecologische problemen, mondiale cultuurstromen die lokale culturen nieuw leven inblazen en internationale organisaties die groei bevorderen. Tegenstanders (andersglobalisten) willen een pas op de plaats vanwege overproductie, overconsumptie, belasting van het milieu en uitputting van grondstoffen. Internationale economische crises brengen de onderlinge afhankelijkheid aan het licht. Zij vrezen een homogenere populaire cultuur en een mondiale markt met weinig differentiatie; digitale kanalen maken het voor kleine aanbieders wel makkelijker. Houd het neutraal. De foto toont een betoging tegen globalisering in Genua, 2001. Veelgemaakte fout: andersglobalisten zien als tegenstanders van alle internationale contact. Image credit: Jeanne Menjoulet / Wikimedia Commons, CC BY 2.0

VERANDERING · DRIE PROCESSEN

Waarom ze het oneens blijven

  • Meer aandacht voor profijt op korte termijn (hyper) of voor effecten op de lange termijn (anders).

  • Verschillende standpunten over duurzaamheid in relatie tot de wenselijkheid van economische groei.

  • Verschillend vertrouwen in het oplossend vermogen van wetenschap en technologie.

  • Schade aan het milieu is grensoverschrijdend, maar niet gelijk verdeeld over gebieden en de wereld.

  • Functionalisme: leidt globalisering tot wederzijdse afhankelijkheid en tot één wereldsysteem of regionale deelsystemen?

Syllabus 20.3: hyper- en andersglobalisten komen moeilijk tot elkaar omdat ze fundamenteel anders denken over problemen en oplossing: korte versus lange termijn, duurzaamheid en groei, de rol van wetenschap en technologie, en de ongelijke verhoudingen bij ecologische problemen. Vanuit het functionalisme-paradigma staat centraal in hoeverre en waar globalisering tot toenemende wereldwijde wederzijdse afhankelijkheid leidt, en of dat één wereldsysteem oplevert of afzonderlijke deelsystemen van regionale samenwerkingsnetwerken van staten. Veelgemaakte fout: denken dat het verschil alleen een kwestie van voor of tegen is. Het gaat om verschillende kijk op termijn, groei en techniek.

Een financiële crisis in één land raakt banken wereldwijd. Wat toont dit?

A

Depersonalisering van economische macht

B

Onderlinge afhankelijkheid door globalisering

C

Interne soevereiniteit van elke staat

D

Staatsvorming door integratie

Syllabus 20.3: internationale economische crises brengen de onderlinge afhankelijkheid aan het licht. Verwachte fout: integratie kiezen omdat het woord klinkt als verbinding.

Vul in

Globalisering breidt contacten en afhankelijkheden uit over landsgrenzen heen, zodat een global society ontstaat.

contacten
landsgrenzen
global society
wereldregering
grondgebieden

Syllabus 20.3. Verwachte fout: een bijna goed woord kiezen, zoals wereldregering.

Wat vond je vandaag het lastigst?

1

De drie processen van staatsvorming

2

Interne en externe soevereiniteit

3

De kanttekeningen bij democratisering

4

Hyper- en andersglobalisten

Gebruik de uitslag om les 2 te beginnen bij het onderdeel dat de meeste stemmen krijgt.

Welk van de drie processen zie je nu om je heen? Leg uit.

Goed antwoord: noemt een proces, een voorbeeld en de aanwijzing, bijvoorbeeld globalisering via wereldwijde handel of communicatie. Verwachte fout: een voorbeeld noemen zonder het proces te benoemen.

VERANDERING · DRIE PROCESSEN

Begrippen (1/2)

  • staatsvorming: de institutionalisering van politieke macht tot een staat

  • depersonalisering: macht hoort bij de rol van een functionaris, niet bij de persoon of familie

  • formalisering: rechten en plichten liggen vast in wetten en contracten, waarvan de overheid de handhaving waarborgt

  • integratie: de staat legt beslag op hulpbronnen via belasting en wet, maar erkent ruimte voor markt en burgerlijke samenleving

  • interne en externe soevereiniteit: hoogste gezag binnen een grondgebied, en erkenning van dat gezag door andere staten

Deze slide heeft geen instructies

VERANDERING · DRIE PROCESSEN

Begrippen (2/2)

  • democratisering: verandering van machts- en gezagsverhoudingen door meer inspraak en medezeggenschap van wie minder macht heeft

  • rechtsstaat: staat waarin steeds meer groepen, ook rechtspersonen, rechten kregen

  • volksvertegenwoordiging: parlement waarin partijen de opvattingen van groepen burgers representeren

  • globalisering: uitbreiding en intensivering van contacten en afhankelijkheden over zeer grote afstanden en landsgrenzen heen

  • hyper- en andersglobalisten: voorstanders en tegenstanders van globalisering

Deze slide heeft geen instructies