Par 3.1 Crisis!

1 / 76
volgende
Slide 1: Tekstslide
GeschiedenisMiddelbare schoolvmbo b, kLeerjaar 4

In deze les zitten 76 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 15 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Tekstslide

Slide 3 - Tekstslide

Par 3.1 Crisis!

Slide 4 - Tekstslide

Lezen
Blz 76, stukjes aandelen kopen en een beurskrach

Slide 5 - Tekstslide

Leerdoelen
- Je weet wat het interbellum is.
- Je weet wat de Weimar-republiek is en waarom we dit zo noemen.
- Je weet wat een parlementaire democratie is en hoe dit in Duitsland functioneerde.
- Je kunt uitleggen hoe de Duitsers dachten over de Vrede van Versailles.
- Je weet waarom er inflatie ontstond in Duitsland en wat inflatie is.
- Je kunt uitleggen waarom de Volkenbond erg zwak was.
- Je kunt uitleggen wat de beurskrach is en hoe dit een wereldwijde crisis veroorzaakte.
- Je kunt uitleggen waarom de crisis Duitsland extra zwaar raakte.
- Je kunt de volgende begrippen herkennen en beschrijven : interbellum, Republiek van Weimar, economische crisis, inflatie, beurskrach.
- Je weet wat er in het bijbehorende jaartal is gebeurd: 1929.

Slide 6 - Tekstslide

Quiz
Maar eerst gaan we kijken wat jullie nog weten van de vorige lessen.. 

Slide 7 - Tekstslide

Hoeveel leden heeft de Tweede Kamer?
A
100
B
120
C
130
D
150

Slide 8 - Quizvraag

Censuskiesrecht betekent dat...
A
Je mag stemmen als je genoeg belasting betaalt
B
Iedereen mag stemmen
C
Je kiest wie er koning wordt
D
Als je van adel bent mag je stemmen

Slide 9 - Quizvraag

Welke twee zinnen over de aanslag in Sarajevo zijn waar?
Juiste antwoord(en)
De aanslag was een indirecte oorzaak van de Eerste Wereldoorlog
De aanslag was de aanleiding van de Eerste Wereldoorlog
De aanslag was de directe oorzaak/aanleiding van de Eerste Wereldoorlog
De aanslag was het gevolg van de Eerste Wereldoorlog

Slide 10 - Sleepvraag

Vanaf welk jaar mogen er in Nederland bijzondere scholen worden opgericht?
A
1840
B
1848
C
1887
D
1917

Slide 11 - Quizvraag

Oorzaak
Aanleiding
Gebeurtenis
Gevolg
De uitbraak van de Eerste Wereldoorlog
Het Verdrag van Versailles wordt ondertekend
Er worden bondgenootschappen gesloten tussen verschillende Europese landen
De moord op kroonprins Franz-Ferdinand

Slide 12 - Sleepvraag

Wat is de uitkomst van de schoolstrijd?
A
Alleen katholieke scholen worden betaald door de overheid
B
Openbare en protestantse scholen worden betaald door de overheid
C
Openbare en bijzondere scholen worden betaald door de overheid
D
Openbare en scholen voor speciaal onderwijs worden betaald door de overheid

Slide 13 - Quizvraag


Kijk goed naar de afbeelding. 

Welke conclusie is juist?
A
De meeste landen zijn neutraal
B
Duitsland is in gevecht met Turkije
C
De geallieerden zijn aan het winnen
D
Het Von Schlieffenplan is mislukt

Slide 14 - Quizvraag

Welke vier zuilen zien we hier?
A
Socialisten, liberalen, populisten en katholieken
B
Katholieken, populieren, socialisten en christenen
C
Liberalen, socialisten, protestanten en katholieken
D
Protestanten, katholieken, populisten en provo's

Slide 15 - Quizvraag

De begroting voor defensie willen verhogen en een voorstel doen als Tweede Kamerlid
A
Recht van Interpellatie
B
Recht van Budget
C
Recht van Enquete
D
Recht van Amendement

Slide 16 - Quizvraag

Mindmap
Pen en schrift op tafel, we gaan een mindmap maken over deze paragraaf. 

Slide 17 - Tekstslide

Versailles
In 1919 kwamen de leiders van Engeland, Frankrijk, de VS en Italië bijeen in Versailles.
Duitsland moest zwaar gestraft worden na WOI.
Duitsland mocht niet meepraten.

Slide 18 - Tekstslide

Vrede van Versailles
Duitsland moest herstelbetalingen doen aan de geallieerden.
Duitsland moest grondgebied en de koloniën afstaan.
Het Duitse leger mocht niet groter zijn dan 100.000 man.
Duitsland mocht geen soldaten in het Rijnland hebben.
Duitsland kreeg de schuld van de oorlog.

Slide 19 - Tekstslide

Slide 20 - Tekstslide

Interbellum


  • Een interbellum (van het Latijn inter, tussen en bellum, oorlog) is een periode tussen twee oorlogen.

  • Het interbellum is de periode tussen de Eerste en de Tweede Wereldoorlog (1919-1939)

Slide 21 - Tekstslide

Onrust
De Duitse keizer Wilhelm vlucht naar het neutrale Nederland. ( Doorn )
In Duitsland was het onrustig.
Communisten wilden de macht grijpen.
De regering had de handen vol aan het behouden van de macht.

Slide 22 - Tekstslide

Volkenbond
Duitsland had grote problemen.
Het mocht ook geen lid worden van de Volkenbond.
Het was immers de hoofdschuldige van de Eerste Wereldoorlog.

Slide 23 - Tekstslide

Volkenbond
De Volkenbond was een zwakke organisatie.
Duitsland was geen lid.
Sovjet-Unie mocht geen lid worden ivm communisme.
VS wilden geen lid worden, Europa moest haar eigen problemen oplossen.
Volkenbond had geen eigen leger.

Slide 24 - Tekstslide

Herstelbetalingen
Herstelbetalingen waren niet op te brengen.
Franse soldaten halen grondstoffen uit Duitsland.
Duitsers gingen staken.
De regering betaalde de stakers, maar moest daarvoor geld bijdrukken.
Inflatie.

Slide 25 - Tekstslide

Hulp voor Duitsland
Amerikanen snappen dat Duitsland de herstelbetalingen niet kan opbrengen.
Ze komen met een plan: Dawesplan.

Slide 26 - Tekstslide

Economische voorspoed
Het ging na 1924 economisch goed met de wereld.
De Amerikaanse en Duitse economie bloeiden op.
Berlijn werd een bruisende stad. Het overschaduwde Parijs en London.

Slide 27 - Tekstslide

Slide 28 - Tekstslide

Economisch bloei
Het ging na 1924 economisch goed met de wereld.
De Amerikaanse en Duitse economie bloeiden op.
Berlijn werd een bruisende stad.
Aandelenhandel.
Veel Amerikanen kochten aandelen, ze leenden er zelfs geld voor!

Slide 29 - Tekstslide

Zwarte Donderdag
Donderdag 24 oktober 1929.
Op deze dag stortte de beurs in.
Beurskrach.
De aandelenkoers daalde snel.
Mensen probeerden massaal hun aandelen te verkopen.
Veel aandelen raakten hun waarde kwijt.
Mensen waren hun geld kwijt.

Slide 30 - Tekstslide

Slide 31 - Tekstslide

Slide 32 - Tekstslide

Gevolgen
De gevolgen voor Duitsland waren enorm.
Amerikaanse bedrijven wilden hun geld terug.
Duitsland had geen geld.
Bedrijven gingen failliet en veel mensen raakten werkloos.

Slide 33 - Tekstslide

Gevolgen wereldwijd
In bijna alle landen viel de regering door de economische crisis.
Regeringen hadden simpelweg geen antwoord op de crisis.
Extreem rechts en extreem links kregen steeds meer aanhangers.
Nationalisten, communisten.

Slide 34 - Tekstslide

Quiz
Eens kijken wie er goed heeft opgelet..

Slide 35 - Tekstslide

In welk jaar was de beurskrach?
A
1928
B
1929
C
1933
D
1917

Slide 36 - Quizvraag

Hoe noemen we de periode tussen de wereldoorlogen?
A
De middeleeuwen
B
Het interbellum
C
De industriële revolutie
D
Koude Oorlog

Slide 37 - Quizvraag

Wat deden veel Amerikanen om aandelen te kunnen kopen?
A
Er hard voor werken
B
Hun spaargeld inzetten om ze te kopen
C
Hun spaargeld inzetten en zelfs geld lenen
D
Aandelen waren gratis

Slide 38 - Quizvraag

Hoe noemen we de beurskrach ook wel?
A
Rode zaterdag
B
Paarse vrijdag
C
Zwarte donderdag
D
Gele dinsdag

Slide 39 - Quizvraag

Wat was het gevolg van de beurskrach?
A
Economische crisis in de VS
B
Economische crisis in Duitsland
C
Economische crisis in Nederland
D
Economische crisis in de hele wereld

Slide 40 - Quizvraag

En nu?
Rustig aan de slag met de vragen van paragraaf 3.1. 
Of de praktische opdracht.

Slide 41 - Tekstslide

Par 3.1 Crisis! d2

Slide 42 - Tekstslide

Lezen
Blz 78, stukjes economische crisis in Duitsland en armoede en ontevredenheid

Slide 43 - Tekstslide

Leerdoelen
- Je weet wat het interbellum is.
- Je weet wat de Weimar-republiek is en waarom we dit zo noemen.
- Je weet wat een parlementaire democratie is en hoe dit in Duitsland functioneerde.
- Je kunt uitleggen hoe de Duitsers dachten over de Vrede van Versailles.
- Je weet waarom er inflatie ontstond in Duitsland en wat inflatie is.
- Je kunt uitleggen waarom de Volkenbond erg zwak was.
- Je kunt uitleggen wat de beurskrach is en hoe dit een wereldwijde crisis veroorzaakte.
- Je kunt uitleggen waarom de crisis Duitsland extra zwaar raakte.
- Je kunt de volgende begrippen herkennen en beschrijven : interbellum, Republiek van Weimar, economische crisis, inflatie, beurskrach.
- Je weet wat er in het bijbehorende jaartal is gebeurd: 1929.

Slide 44 - Tekstslide

Quiz
Maar eerst gaan we kijken wat jullie nog weten van de vorige lessen.. 

Slide 45 - Tekstslide

Bij welk recht hoort:
Een minister voor een spoeddebat naar de kamer roepen.
A
Recht van amendement
B
Recht van Interpellatie
C
Recht van initiatief
D
Recht van motie

Slide 46 - Quizvraag

Communisten
Sociaal-Democraten
Protestanten
Liberalen
Mensen die het verschil tussen arm en rijk op willen lossen met hulp van wetten.
Mensen die uit de bovenlaag van de samenleving komen, vaak fabrieksdirecteuren en winkeliers.
Mensen die het verschil tussen arm en rijk op willen lossen met een revolutie
Mensen die Nederland volgens de Bijbel willen regeren.

Slide 47 - Sleepvraag

Welk begrip hoort er bij: de vijand zwart maken en jezelf heel goed afbeelden
A
Censuur
B
Totale oorlog
C
Propaganda
D
Von Schlieffenplan

Slide 48 - Quizvraag

Wat heeft de eerste feministische golf bereikt?
A
Vrouwenkiesrecht en recht om te studeren
B
Recht op abortus en betere scholing
C
Vrouwenkiesrecht en betere scholing
D
Hoger onderwijs en betere scholing

Slide 49 - Quizvraag

Welk begrip past hier het beste bij?
A
militarisme
B
democratie
C
nationalisme
D
vreedzame opvoeding

Slide 50 - Quizvraag

Wat hoort niet bij de Vrede van Versailles?
A
Duitsland moest koloniën afstaan
B
Duitsland moest herstelbetalingen doen
C
Duitsland mocht meepraten
D
Duitsland had niks te zeggen

Slide 51 - Quizvraag

Er worden vier begrippen uitgelegd. Drie definities zijn fout. Welk begrip wordt goed uitgelegd?
A
Een totale oorlog is een oorlog waarbij niet alleen het leger, maar de hele samenleving betrokken is.
B
Modern imperialisme is het veroveren van gebieden in andere werelddelen om militaire redenen, en omdat het aanzien en macht oplevert.
C
Nationalisme is trots zijn op je eigen leger.
D
Een wapenwedloop is een 'wedstrijd' tussen landen wie het eerst zijn wapens aan het front kan hebben.

Slide 52 - Quizvraag

Is dit kaart van Europa
van
voor of na WOI?
A
voor
B
na

Slide 53 - Quizvraag

Hoe noemen we de periode tussen de wereldoorlogen?
A
De middeleeuwen
B
Het interbellum
C
De industriële revolutie
D
Koude Oorlog

Slide 54 - Quizvraag

Mindmap
Pen en schrift op tafel, we gaan een mindmap maken over deze paragraaf. 

Slide 55 - Tekstslide

Geen vertrouwen
Het nieuwe Duitsland werd genoemd naar de plaats waar de grondwet werd getekend.

De nieuwe regering had weinig vertrouwen onder het volk.
Duitsers hadden ook geen vertrouwen in de democratie.
De nieuwe regering kreeg de schuld van de nederlaag, de economische situatie en de vrede van Versailles.


Slide 56 - Tekstslide

Van Berlijn naar Weimar
Door het geweld op straat in Berlijn verhuist de politiek tijdelijk naar Weimar. Berlijn blijft gewoon de hoofdstad.

Slide 57 - Tekstslide

Slide 58 - Tekstslide

Vrede van Versailles
De Duitsers hadden geen keuze.
Veel Duitsers hadden moeite met de vrede van Versailles.
Ze noemden de vrede een Diktat.

Slide 59 - Tekstslide

Zwarte Donderdag
Donderdag 24 oktober 1929.
Op deze dag stortte de beurs in.
Beurskrach.
De aandelenkoers daalde snel.
Mensen probeerden massaal hun aandelen te verkopen.
Veel aandelen raakten hun waarde kwijt.
Mensen waren hun geld kwijt.

Slide 60 - Tekstslide

Gevolgen
De gevolgen voor Duitsland waren enorm.
Amerikaanse bedrijven wilden hun geld terug.
Duitsland had geen geld.
Bedrijven gingen failliet en veel mensen raakten werkloos.

Slide 61 - Tekstslide

Gevolgen
Export daalde met 54%.
De totale productie met 34%.
De werkloosheid werd steeds groter.
In 1933 waren er in Duitsland 8 miljoen werklozen.
1/3 deel van de beroepsbevolking.

Slide 62 - Tekstslide

Gevolgen wereldwijd
In bijna alle landen viel de regering door de economische crisis.
Regeringen hadden simpelweg geen antwoord op de crisis.
Extreem rechts en extreem links kregen steeds meer aanhangers.
Nationalisten, communisten.

Slide 63 - Tekstslide

Slide 64 - Tekstslide

Inflatie
De Duitse regering moest iets doen
Ze moeten geld bijdrukken.
Gevolg: meer geld in omloop, geld verliest dan zijn waarde.

Slide 65 - Tekstslide

Crisis
De regering kan deze niet oplossen.
Veel Duitsers raakten in financiele problemen.
Populariteit van extreem-links en rechts stijgt enorm.

Slide 66 - Tekstslide

Slide 67 - Tekstslide

Quiz
Eens kijken wie er goed heeft opgelet..

Slide 68 - Tekstslide

Hoe noemen we Duitsland na de Eerste Wereldoorlog?
A
Nazi-Duitsland
B
De Duitse Republiek
C
Weimar-Republiek
D
Gewoon Duitsland

Slide 69 - Quizvraag

De Duitsers hadden na WOI veel vertrouwen in de politiek
A
Juist
B
Onjuist

Slide 70 - Quizvraag

Welke invloed heeft de economische crisis in Duitsland op de verkiezingen?
A
Meer stemmen voor de communisten en de socialisten
B
Meer stemmen voor de nazi's en de communisten
C
Meer stemmen voor de socialisten en minder voor de extreme partijen
D
Meer stemmen voor de nazi's en minder stemmen voor de communisten

Slide 71 - Quizvraag

Wat gebeurt er als er extra geld wordt bijgedrukt?
A
Prijzen dalen
B
Prijzen stijgen

Slide 72 - Quizvraag

Uit welk jaartal komt deze bron?
A
Net na 1919
B
Net na 1929
C
Net na 1939
D
Net na 1945

Slide 73 - Quizvraag

Wat bedoelen we met het Interbellum?
A
Dat is de periode voor de Eerste Wereldoorlog
B
Dat is de periode tussen de wereldoorlogen in.
C
Dat is de periode na de Tweede Wereldoorlog.
D
Dat is een andere naam voor de Industriële Revolutie.

Slide 74 - Quizvraag

Wat was een gevolg van de economische crisis van de jaren '30?
A
Er is een snel stijgende werkloosheid
B
Mensen kopen veel nieuwe producten
C
De banken lenen veel geld uit aan de werklozen
D
Bedrijven produceren te veel producten

Slide 75 - Quizvraag

En nu?
Rustig aan de slag met de vragen van paragraaf 3.1. 
Of de praktische opdracht.

Slide 76 - Tekstslide