Kader 4 H3 Woordenschat : woordraadstrategie en moeilijke woorden

Woordraadstrategieën
en de betekenis van moeilijke woorden
1 / 43
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo b, kLeerjaar 4

In deze les zitten 43 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Woordraadstrategieën
en de betekenis van moeilijke woorden

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Woordraadstrategieën
Woord - raad - strategieën
=
Een manier om de betekenis van een voor jou onbekend woord uit de tekst te halen (je kan de betekenis raden)

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Dit doe je door...
De zin voor en na het woord nogmaals te lezen en dan op zoek te gaan naar: 

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Het is altijd de vraag wat de politie zal aantreffen bij een inval.
Aantreffen =
A
maken
B
vinden
C
zoeken
D
hebben

Slide 4 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Het tegengestelde van uiterlijk is innerlijk, het gaat dan om gevoelens en gedachten
Innerlijk =
A
binnenste
B
buitenste
C
mooiste
D
lelijkste

Slide 5 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Ik heb zin in Nederlands want ik heb uitsluitend positieve dingen over de docent gehoord.
Uitsluitend =
A
helemaal niet
B
totaal niet
C
alleen maar
D
een beetje

Slide 6 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

De volgorde van de vragen op de toets is willekeurig, het maakt niet uit in welke volgorde je ze doet.
willekeurig =
A
slim
B
belangrijk
C
zomaar gekozen
D
heel precies afgestemd

Slide 7 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

lang
dik
intelligent
met moeite
vreemd
oneerlijk
Kort
Dun
Dom
Makkelijk
Normaal
Eerlijk

Slide 8 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat betekent het voorvoegsel on- (zoals oneerlijk)
A
wel
B
niet
C
zonder
D
met

Slide 9 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Woordbetekenissen raden

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Doel van deze les!

Na deze les kan je:
de betekenis van een onbekend/ moeilijk woord afleiden uit het woord, in de tekst vinden (of opzoeken in het woordenboek).

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Betekenis van moeilijke woorden
De betekenis van een onbekend woord afleiden uit het woord.

                      Er zijn drie manieren:             
- woord voorvoegsel en / of achtervoegsel
- samengesteld woord
- woord lijkt op bekend woord


Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Voorvoegsel/achtervoegsel

   je misdragen - je slecht gedragen


waardeloos - zonder waarde


    non fictie - niet verzonnen

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Samenstelling

vakkennis - kennis van een vak (iets weten over een vak)


tegelvloer - vloer van tegels



Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Woord lijkt op een ander woord
concentratie lijkt op concentreren = opletten

chaotisch lijkt op chaos = puinhoop

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Veelvoorkomende voorvoegsels
Voorbeeld

a-: niet

anti-: tegen

non-: niet

mis-: verkeerd, fout

wan-: slecht, verkeerd

her-: weer, opnieuw

ex-: niet meer

mini-: heel klein

inter-: tussen 2 of meer gebieden

asociaal

antipathie

non-actief

misdragen

wantoestand

herinrichten

ex-man

minibus

interland

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat betekent het achtervoegsel -loos
(als in werkloos)
A
wel
B
niet
C
zonder
D
met

Slide 17 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat betekent
onmisbare
A
niet te missen
B
gemiste

Slide 18 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat betekent
interregionaal
A
in de regio's
B
tussen regio's

Slide 19 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat betekent
wantoestanden
A
slechte toestanden
B
andere toestanden

Slide 20 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat betekent
non-actief
A
weer actief
B
niet actief

Slide 21 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat betekent
ex-voorzitter
A
iemand die vroeger voorzitter was
B
verkeerde voorzitter

Slide 22 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat betekent
herkauwers
A
een dier dat zijn eten opnieuw kauwt
B
een dier dat zijn eten meteen goed kauwt

Slide 23 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Leerdoelen
  1. Je weet hoe je de betekenis van een samengesteld woord
    kunt achterhalen.
  2. Je weet hoe je de context kunt gebruiken om de betekenis
    van een woord te raden.
  3. Je weet waar je op moet letten bij de betekenis van een
    uitdrukking
    zoals een spreekwoord of gezegde.
  4. Je kunt uitleggen wanneer je een woord raadt of opzoekt.

Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

1. Betekenis van een woord


Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Samenstellingen
  • Een samenstelling is een combinatie van twee
    of meer woorden.
  • Knip de samenstelling in losse woorden. 
  • Vind de betekenis van de losse woorden. 
  • Raad de betekenis van de woordcombinatie. 

Slide 26 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Voorbeeld
'voetbalveld'
 
Het woord is een samenstelling van 'voetbal' en 'veld'.

Een voetbalveld is dus een veld om op te voetballen.




Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat denk je dat het woord 'fotografiecursus' betekent?

Slide 28 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat denk je dat het woord 'tijdschriftenrek' betekent?

Slide 29 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

De context gebruiken
  • De 'context' zijn de woorden rondom het nieuwe
    woord of de voorgaande zinnen.
  • De context helpt je te raden wat het woord betekent.
  • Soms staat er verderop in de tekst een synoniem:
    een woord dat bijna hetzelfde betekent. 

Slide 30 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies


'Ik heb drie biljetten van 50 euro.'
Wat denk je dat het woord 'biljet' betekent?

A
bon
B
briefje
C
munt

Slide 31 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

2. Betekenis van een uitdrukking

Slide 32 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Uitdrukkingen



Denk aan: spreekwoorden, gezegden, zegswijzen.

Het gaat om vaste combinaties van woorden met een andere betekenis dan wat er letterlijk staat.

Slide 33 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Voorbeeld
'De toekomst lacht ons tegemoet.' 

De toekomst kan niet echt lachen. Bedoeld wordt:
het gaat goed met ons
en onze toekomst. 

Slide 34 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Raden of opzoeken
  • Je kunt de betekenis van een uitdrukking proberen te raden. Dit kan met de zinnen en zinsdelen eromheen.

  • Als raden niet lukt, kun je een woordenboek of spreekwoordenboek gebruiken. 

Slide 35 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

'Ik vond het maar niks om weg te zijn van huis. Oost, west, thuis best.'
Wat betekent die tweede zin ?

Slide 36 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Een uitdrukking opzoeken
  • Wil je een spreekwoord of gezegde in een (spreek)woordenboek opzoeken? Kijk dan eerst wat
    het belangrijkste woord van de uitdrukking kan zijn.

  • Je zoekt dan dit belangrijkste woord, het trefwoord,
    in het (spreek)woordenboek op.

Slide 37 - Tekstslide

Ook in spreekwoordenboeken staan de trefwoorden op alfabetische volgorde. 


Voorbeeld
'Zij lust er wel pap van.'
'pap' is hier het trefwoord, dat zoek je op in het woordenboek.

Achter het woord 'pap' staan alle betekenissen van uitdrukkingen met 'pap'.

Slide 38 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies


Wat is het belangrijkste woord van dit gezegde?
'Zijn eigen boontjes doppen'
A
eigen
B
doppen
C
boontjes

Slide 39 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Samenvatting
  • De betekenis en spelling van een woord zoek je op in een woordenboek. Daarin staan de woorden op alfabetische volgorde.

  • De betekenis van een woord kun je ook proberen te raden. Kijk dan goed naar de woorden eromheen. 

Slide 40 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies


  • Uitdrukkingen zijn vaste combinaties van woorden met
    een andere b
    etekenis dan wat er letterlijk staat.

  • Wil je een uitdrukking opzoeken in een woordenboek?
    Kijk eerst wat het belangrijkste woord van de
    uitdrukking kan zijn. Zoek dan op dit woord. 

Slide 41 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Momentje  nadenken

Slide 42 - Tekstslide

Hoe gaat het nu?
Wat gaat goed, wat kan beter?
Welke vragen heb je nog? Die kun je bij de volgende dia invullen.
Welke vragen heb je nog?

Slide 43 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies