Klas 3 EERSTE LES



1 / 32
volgende
Slide 1: Slide
newEditorFransMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 3

In deze les zitten 32 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les





Wat verwacht ik?

> Wacht bij de deur tot ik aangeef dat je naar binnen mag.

> Bonjour zeggen bij de deur!

> Bij binnenkomst: ga zitten en pak je spullen

> Je bent op tijd

> Je hebt je spullen mee!

> Je komt voorbereid naar de les (huis/leerwerk)

Je me présente! mes vacances cet été.


Tussen door....

Om jullie namen en gezichten zo snel mogelijk te leren, maak ik een plattegrond van de klas.



Vul je voornaam aub in.

Wat heb je elke les nodig?

* Plezier

* Opgeladen laptop

* Boek + Schrift

* Extra boekje (in plastic map)

* Pennen (marker)

* Agenda


Waarom leer je Frans volgens jou?

Pourquoi on apprend le français à l'école?

  • Je kan het gebruiken als je op vakantie gaat.

  • Het is een wereldtaal (francophonie).

  • Een taal hoort bij een cultuur. Leer je daar iets van.

  • Meertalig zijn is een goed brein gymnastiek.

  • Je kan het later in je werk gebruiken.

  • Het is een prachtige taal.


  • Het maakt vooral je wereld groter!!

Ik vind het vak Frans...

A

Leuk

B

Leuk maar wel moeilijk

C

Horrible!!!

D

Geen mening.

Mijn niveau voor Frans is...

A

Goed

B

Gemiddeld

C

Slecht

D

Ik vind lees en luistervaardigheid best moeilijk

Ik denk dat ik Frans ga kiezen volgend jaar.

A

Oh Hell no!!!!!!

B

Ik twijfel nog....

C

OUI!!!!

D

Ik weet het niet.

Je bent zelfstandig aan het werk en je weet niet wat je moet doen bij exercice 3, bv. Je vraagt om hulp.

A

Je ne comprends pas.

B

J'ai une question.

C

Voulez-vous répéter s'il vous plait?

D

Je peux aller aux toilettes s'il vous plait?

Je bent vergeten tijdens de pauze naar de wc te gaan, maar je moet echt heel nodig. Wat vraag/zeg je?

A

Je ne comprends pas.

B

Tu peux répéter s'il vous plait?

C

J'ai une question.

D

Je peux aller aux toilettes s'il vous plait?

Lesdoelen/buts

Aan het eind van de les:

- Weet ik wat la rentrée betekent in Frankrijk

- Weet ik wat ik ga dit jaar leren en waarom.

- heb ik een snel opfris cursus gehad





Aan het einde van het jaar, heb je

  • Alle basis grammatica geleerd. In jaar vier is alleen herhaling of verdieping.

  • Veel woordenschat en standaard zinnen geleerd en kan praten over:

    • jezelf en social media

    • je vrije tijd

    • jezelf redden op reis

    • jezelf reden in een restaurant

  • Strategieën geleerd met leesvaardigheid:

    • Titel en plaatjes, markeren, vragen lezen, eerste en laatste zin, niet alles vertalen...

    • Herken je veel vraag/signaal woorden en hun belang met leesvaardigheid.

Wij hebben

A

nous sommes

B

nous avons

C

nous allons

D

nous avez

Maak de volgende zin ontkennend:

'Vous mangez au restaurant ce soir?"

A

'Vous mangez pas au restaurant ce soir?"

B

'Vous mangez ne pas au restaurant ce soir?"

C

'Vous n'mangez pas au restaurant ce soir?"

D

'Vous ne mangez pas au restaurant ce soir?"

Maak de volgende zin ontkennend:

"C'est mon film préféré. "

A

C'est ne pas mon film préféré

B

Ne c'est pas mon film préféré.

C

Ce n'est mon film préféré.

D

Ce n'est pas mon film préféré

93

A

Soixante-trois

B

Soixante-treize

C

Quatre-vingt-trois

D

Quatre-vingt-treize

Gebruik het juist bezittelijk voornaamwoord:

" {Zijn} soeur a 3 enfants"

A

son

B

sa

C

ses

D

ma

Gebruik het juist bezittelijk voornaamwoord:

"{Uw} chien est parti"

A

vos

B

votre

C

ton

D

sa

zij zijn...

A

ils/elles ont

B

ils/ elles avons

C

ils/ elles sont

D

ils/elles sommes

Zet het werkwoord in présent :

"Tu {adorer} le foot"

A

adores

B

adorer

C

adore

D

adorez

Zet het werkwoord in passé composé:

"Vous {jouer} au poker"

A

jouez

B

joue

C

joué

D

jouer

Wat zijn de uitgang van de présent van werkwoorden op -er

A

-e / -es / -e / -ons / -ez / -ent

B

-es / -es / -e / -ons / -ez / -ont

C

es / -e / -e / -ons / -ez / -ent

D

Answer D

Kies de juiste vorm:

"Sophie a un pantalon ... "

A

noire

B

noir

C

noires

D

noirs

Kies de juiste vorm:

"Il a deux {...} soeurs"

A

grande

B

grand

C

grandes

D

grands

nu

A

jamais

B

parfois

C

toujours

D

maintenant

Grâce à

A

Dankzij

B

toch

C

nog

D

misschien

Voilà la leçon est finie

Pour la prochaine leçon, tu as besoin de:


  • ta bonne humeur

  • ton livre

  • ton cahier

  • ta trousse

  • ton ordinateur chargé