TaalCompleet A2 4.12

TaalCompleet A2 4.12
Vrijdag 13 februari
1 / 25
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2Beroepsopleiding

In deze les zitten 25 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

TaalCompleet A2 4.12
Vrijdag 13 februari

Slide 1 - Tekstslide

Doel
Ik leer:
  • 'hij, ze en het' goed gebruiken
  • over dingen praten waarbij ik gebruik van van 'hem, het en ze'. Deze gebruik ik in de rest van de zin. 
  • wat carnaval is en wat een polonaise is. 

Slide 2 - Tekstslide

Carnaval
In de stad is er een groot carnavalsfeest. 
Veel jongeren bezoeken het in het weekend. De gemeente organiseert het elk jaar. Op het plein staat een groot podium. Werknemers bouwen het in de ochtend op. Daarna versieren ze het met lampen en vlaggen.
Er rijdt ook een optocht door het centrum. Voorop rijdt een grote wagen. Vrijwilligers duwen hem langzaam vooruit. Mensen maken er foto’s van en delen ze online. In de straat hangen lange lichtslingers. De stad hangt ze een week van tevoren op. ’s Avonds zie je ze overal.

Na het feest is het plein vol afval. De schoonmaakdienst ruimt het snel op. In de middag gebruiken mensen het plein weer voor andere activiteiten.

Veel jongeren praten nog over het feest. Ze vonden het een mooie avond.

Slide 3 - Tekstslide

Uitleg grammatica
Je kunt de woorden hij, het en ze gebruiken om te verwijzen naar iets of iemand.
De-woorden - Hij
Het-woorden - Het
Alle zelfstandig naamwoorden in meervoud - Ze 

Deze woorden staan in het begin van de zin.

Slide 4 - Tekstslide

Uitleg grammatica
Je kan ook nog over dingen praten met de woorden hem, het en ze. 
Deze staan in de rest van de zin. 
De-woorden - hem 
Het-woorden - het
Meervoud - ze

Slide 5 - Tekstslide

Voorbeelden
Mijn fiets is kapot. Hij staat in de schuur. Ik breng hem straks naar de fietsenmaker. 

Het ontbijt is klaar. Het is lekker. Olga zet het op tafel.

Slide 6 - Tekstslide

113.2 - Ik heb het tafeltje gekocht.
Ik heb ... gekocht.

Slide 7 - Open vraag

113.3 - Ze heeft de armband betaald.
Zij heeft ... betaald

Slide 8 - Open vraag

113.4 - Wij hebben nieuwe kleren gepast.
Wij hebben ... gepast.

Slide 9 - Open vraag

113.5 - Hebben jullie de brief gekregen?
Hebben jullie ... gekregen?

Slide 10 - Open vraag

113.6 - Kun jij die handschoenen aan mij geven?
Kun jij ... aan mij geven?

Slide 11 - Open vraag

113.7 - Ozem bestelt het boek voor zijn vriend.
Ozem bestelt ... voor zijn vriend.

Slide 12 - Open vraag

114.1 - Waar zijn de bloemen?
Ik heb ... in een vaas op tafel gezet.

Slide 13 - Open vraag

114.2 - Wat vind je van het cadeau?
Ik vind ... heel leuk!

Slide 14 - Open vraag

Carnaval

Slide 15 - Tekstslide

Slide 16 - Video

Wanneer werd carnaval voor het eerst gevierd?
A
Gouden eeuw
B
Middeleeuwen
C
prehistorie
D
1950

Slide 17 - Quizvraag

Wat wordt er met carnaval van oorsprong gevierd?
A
Dat de priester jarig is
B
Het begin van de lente
C
Niks, het is gewoon een feestje
D
Dat de kinderen de baas zijn

Slide 18 - Quizvraag

Hoe heet Den Bosch in de carnavalsperiode?
A
Oeteldonk
B
Watergat
C
Waaienburg
D
Lampengat

Slide 19 - Quizvraag

Hoe lang duurt de vastentijd?
A
10 dagen
B
30 dagen
C
4 dag
D
40 dagen

Slide 20 - Quizvraag

Wat deed men aan het eind van de winter?
A
heel veel eten
B
lang uitslapen
C
naar het strand gaan
D
boze geesten verjagen

Slide 21 - Quizvraag

Slide 22 - Link

Wat betekent:
We plukken de dag?
A
de dag gaat heel snel voorbij
B
de dag gaat heel langzaam voorbij
C
geniet van elke dag
D
we gaan in de tuin werken

Slide 23 - Quizvraag

Opdracht
A2: Maak het werkblad over carnaval.
Gebruik hem, het, ze 

B1: Maak het werkblad. Maak zinnen met de woorden in het meervoud. 

Slide 24 - Tekstslide

Slide 25 - Video