cross

Samenvattende LessonUp jaar 2

 Begrijpend lezen 
1 / 46
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

In deze les zitten 46 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

 Begrijpend lezen 

Slide 1 - Tekstslide

Samenvattende LessonUp
Wat moet je kennen voor de toets?
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
  • Onderwerp                                                                                                                                                                   Feit en mening
  • Deelonderwerp                                                                                                                                                          Subjectief en objectief.                             
  • Hoofdgedachte
  • Titel
  • Tussenkopjes
  • Tekstopbouw/structuur: inleiding – middenstuk – slot + de doelen
  • 4 manieren om een tekst in te leiden
  • 3 manieren om een tekst af te sluiten
  • Alinea’s
  • Kernzinnen
  • Verwijswoorden theorie + herkennen in een tekst
  • Bronvermelding herkennen
  • Tekstdoelen + tekstsoorten
  • Citeren


Slide 2 - Tekstslide

ONDERWERP
Het onderwerp van een tekst geeft aan waar de tekst over gaat.
Het onderwerp van een tekst kun je vaak met één of enkele woorden opnoemen.

Het onderwerp van een tekst vind je door te letten op:
  • de titel
  • de eerste zin of de eerste alinea (de lead)
  • een tekening of foto bij de tekst
  • tussenkopjes en dikgedrukte of onderstreepte woorden

Slide 3 - Tekstslide

DEELONDERWERPEN
Het deelonderwerp is een klein deel van een tekst. 
Deelonderwerpen vertellen verschillende kanten van het onderwerp. 

Een tekst over school gaat bijvoorbeeld vaak ook over leraren, schoolvakken en de plaats waar de school staat. 

Een deelonderwerp heeft dus wel iets met het onderwerp te maken.

Slide 4 - Tekstslide

Hoofdgedachte
De hoofdgedachte van een tekst is de belangrijkste gedachte die de schrijver over het onderwerp heeft. Een hoofdgedachte bestaat uit één of twee zinnen. 

De hoofdgedachte is dus het belangrijkste wat de schrijver denkt of wil meegeven aan de lezer.

De hoofdgedachte schrijven we op in 1 of enkele zinnen.

Slide 5 - Tekstslide

Waar vind je de hoofdgedachte?

  • Meestal in de eerste alinea of in het slot van een tekst. 

  • De hoofdgedachte hoeft niet letterlijk in de tekst te staan. 

  • Let op! Twee teksten met hetzelfde onderwerp kunnen heel goed twee verschillende hoofdgedachtes hebben.


Denk maar eens aan het onderwerp TikTok. Schrijver A legt uit waarom TikTok fantastisch is. Schrijver B vindt TikTok maar niks en legt uit waarom kinderen moeten stoppen met het eindeloos kijken naar dansjes. 

Slide 6 - Tekstslide

Dus het onderwerp van een tekst is waar de tekst over gaat en de hoofdgedachte van een tekst is wat de schrijver van die tekst de lezer duidelijk probeert te maken.

Slide 7 - Tekstslide

Titel van een tekst
Een titel is de naam van een boek, verhaal, gedicht, film of liedje en staat altijd boven een verhaal.

Een goede titel trekt de aandacht van de mensen die je wilt aanspreken.


Slide 8 - Tekstslide

Tussenkopjes
Tussenkoppen zijn koppen die niet bovenaan de pagina staan, maar tussen alinea's. 

Tussenkopjes beschrijven in één woord (of hooguit een paar woorden) waarover het volgende deel van de tekst gaat. 

Slide 9 - Tekstslide

Tekst bestaat uit 3 delen
Een tekst bestaat uit 3 delen, met elk een ander ----> doel:

  • Inleiding --->  lezer nieuwsgierig maken/onderwerp aankondigen
  • Middenstuk/kern ---> deelonderwerpen behandelen
  • Slot ---> tekst afsluiten

Slide 10 - Tekstslide

4 manieren om tekst in te leiden
Een schrijver kan zijn tekst op verschillende manieren inleiden. Soms kiest hij voor een combinatie. 

  • 1. Het onderwerp aankondigen (= vertellen waar de tekst over gaat)
  • 2. Een kort grappig of bijzonder verhaaltje (= anekdote) vertellen 
  • 3. Een of meer vragen stellen.
  • 4. De aanleiding voor het schrijven noemen (= vertellen waarom je schrijft)


Slide 11 - Tekstslide

3 manieren om tekst af te sluiten
Een schrijver kan zijn tekst op verschillende manieren afsluiten. Soms kiest hij voor een combinatie.

  • 1. Conclusie
  • 2. Samenvatting
  • 3. Advies

Slide 12 - Tekstslide

Alinea's
Een tekst bestaat uit meerdere alinea's. Deze zorgen voor overzicht in een tekst. 

We schrijven dus niet een hele bladzijde vol, maar slaan per onderdeel/deelonderwerp van het verhaal een zin over. Dit zorgt voor rust.




Slide 13 - Tekstslide

Alinea's en Kernzinnen
  • Een alinea bestaat uit 2 delen: de kernzin en de uitwerking/uitleg van de kernzin.
  • In een kernzin zet een schrijver vaak het belangrijkste van de alinea: de hoofdzaak.

  • Een kernzin is vaak de eerste, tweede of de laatste zin van de alinea. 

  • Andere zinnen bevatten minder belangrijke dingen, dit noemen we bijzaken.
    Voorbeelden van minder belangrijke dingen: Uitleg, toelichting of voorbeeld.


Slide 14 - Tekstslide

Kernzin voorbeeld
Leraar Nederlands Gijsbert de Keizer vindt dat leerlingen niet moeten klagen na afloop van het examen, maar hardop hun eigen falen moeten erkennen met de woorden: ‘Ik kan het niet!’ Dat is ronduit absurd. Het geklaag heeft niks te maken met verloren trots of een tekort aan vaardigheden, maar meer met het bubbeltje waarin de makers van het eindexamen Nederlands zitten.


In de dikgedrukte zin wordt een mening gegeven, de rest van de alinea legt deze mening uit. De eerste zin is dus de kernzin.

Slide 15 - Tekstslide

Verwijswoorden
Een verwijswoord is een woord dat naar een ander woord, een woordgroep of een hele zin verwijst.

Daardoor zijn zinnen minder saai en lopen verhalen minder stroef. Het leest dus prettiger. 


Saskia geniet van de warme zomerdagen. Ze gaat vaak zwemmen en eet veel ijsjes.
Het woord ‘Ze’ is een verwijswoord, want het verwijst naar Saskia. Het is dezelfde persoon.

Slide 16 - Tekstslide

Verwijswoorden
Michelle heeft gisteravond het werkstuk voor aardrijkskunde gemaakt, zodat ze in het weekend naar het strand kan. ('ze' verwijst naar één woord)

Bij een bekende webwinkel heb ik twee nieuwe spellen gekocht, want die waren in de aanbieding. ('die' verwijst naar twee nieuwe spellen)

Mijn neef is Nederlands kampioen judo geworden. Dat vind ik een goede prestatie. ('dat' verwijst naar een hele zin) 

Slide 17 - Tekstslide

Verwijswoorden
Verwijswoorden worden niet voor niks gebruikt. Kijk maar eens wat er gebeurt als je géén verwijswoorden gebruikt:

Zin 1: Siem heeft zin in de vakantie. Siem gaat dan samen met Siems ouders een weekje weg. Siems vader heeft Siem verteld dat Siem en de ouders van Siem naar Kreta gaan.

Zin 2: Siem heeft zin in de vakantie. Hij gaat dan samen met zijn ouders een weekje weg. Zijn vader heeft hem verteld dat ze naar Kreta gaan.

Slide 18 - Tekstslide

Bronvermelding
Als je iets leest, dan komt dat ergens vandaan. Het verhaal kan komen uit een tijdschrift, een krant of misschien wel een boek. Waar het verhaal vandaan komt noemen de bronvermelding.


Slide 19 - Tekstslide

Tekstdoelen en tekstsoorten
Als je een tekst gaat schrijven, doe je dat vaak met een doel. Je wilt misschien iemand overtuigen, vermaken of informeren. Dat noemen we tekstdoelen. Tekstdoelen horen vaak bij verschillende tekstsoorten, ook wel tekstvormen genoemd. Denk hierbij aan een krantenbericht of boek.

In het schema op de volgende slide staan de tekstdoelen met bijbehorende tekstsoorten. Probeer deze te leren.

Slide 20 - Tekstslide

Slide 21 - Tekstslide

Leesstrategieën
Strategie                                             Leesdoel                                                 
Zoekend lezen                              informatie opzoeken
- Oriënterend lezen                        1e indruk krijgen van een tekst
- Globaal lezen                                 hoofdzaken uit tekst halen
- Grondig en intensief lezen         tekst helemaal begrijpen
- Studerend lezen                            tekst leren
- Kritisch lezen                                 tekst beoordelen;waar/compleet

Slide 22 - Tekstslide

Leesstrategieën
- Zoekend lezen
- Oriënterend lezen
- Globaal lezen
- Grondig en intensief lezen
- Studerend lezen
- Kritisch lezen

Slide 23 - Tekstslide

Leesstrategieën
Strategie                                             Leesdoel                                                   
- Zoekend lezen                               informatie opzoeken

Je gebruikt:
inhoudsopgave, register, trefwoorden

Voorbeeld > woordenboek

Slide 24 - Tekstslide

Leesstrategieën
Strategie                                             Leesdoel                                                   
- Oriënterend lezen                        1e indruk krijgen van een tekst

Je gebruikt:
Titel, eerste paar zinnen(inleiding), tussenkopjes, laatste zinnen, anders gedrukte woorden, illustratie en bronvermelding.

Slide 25 - Tekstslide

Leesstrategieën
Strategie                                             Leesdoel                                                   
- Globaal lezen                                 


Je gebruikt:
De eerste en laatste zinnen van elke alinea. De kernzinnen van alle alinea's in de kernzin staat meestal de hoofdzaak van de alinea.

Slide 26 - Tekstslide

Leesstrategieën
Strategie                                             Leesdoel                                                   
- Grondig en intensief lezen       tekst helemaal begrijpen

Je gebruikt:
Aandachtig hele tekst lezen, zin voor zin. Tekst echt begrijpen. 
Wat is het onderwerp van de hele tekst? Wat zij de deelonderwerpen van elke alinea? Wat hebben de alinea's met elkaar te maken? Wat wil de tekst duidelijk maken? Welke zinnen zijn moeilijk? Lees die twee keer of lees ze zachtjes voor jezelf. Zoek de betekenis van de woorden die je nog niet kent.

Slide 27 - Tekstslide

Leesstrategieën
Strategie                                             Leesdoel                                                   
- Studerend lezen                            tekst leren

Je gebruikt: 
intensief lezen met als extra doel: onthouden wat je hebt gelezen. Belangrijke zaken onderstrepen en/of aantekeningen bij maken. 

Slide 28 - Tekstslide

Leesstrategieën
Strategie                                             Leesdoel                                                   
- Kritisch lezen                                  tekst beoordelen;waar/compleet

Je gebruikt:
Logisch nadenken en erachter komen of de informatie allemaal klopt. Dus andere teksten gebruiken om te vergelijken. 

Slide 29 - Tekstslide

Verbindingsmanieren
2. Door herhaling
Aan het begin van de alinea worden worden of een groep woorden uit de vorige alinea herhaald. Dit kan in andere woorden.


Slide 30 - Tekstslide

Verbindingsmanieren

Alinea's kunnen op verschillende manieren met elkaar verbonden worden.
1. Door het gebruik van een signaalwoord
Aan het begin van de alinea staat een signaalwoord, bijvoorbeeld: ten eerste, verder, maar, daarnaast

Slide 31 - Tekstslide

Verbindingsmanieren
3. Door overgangszinnen met een verwijzing
Overgangszinnen staan meestal aan het begin van een alinea. In de zinnen staat vaak een verwijzing naar iets wat eerder gezegd is, vaak in de vorm van verwijswoorden zoals die, dat, deze, hiermee, hiervan, zulke, zo'n

Voorbeeld:
Alinea: In de laatste ijstijd was de Noordzee nog land. Je kon helemaal van Nederland naar Engeland lopen. Op die vlakte leefden allerlei dieren die nu zijn uitgestorven, zoals de wolharige mammoet, het reuze hert en de sabeltandtijger. De botten hiervan komen nog steeds regelmatig naar boven in de netten van vissers. Hun sleepnetten schuren immers over de Noordzeebodem waar de overblijfselen van de prehistorische dieren liggen.

Slide 32 - Tekstslide

Verbindingsmanieren
4. Door aankondigende zinnen
Een aankondigende zin staat meestal aan het eind van een alinea en vertelt wat je verderop in de tekst kunt verwachten.

Alinea: Laten we eens stuk voor stuk gaan bekijken wat de argumenten van de clubleiding nu echt waard zijn. Ten eerste het gebrek aan geld om nieuwe spelers te kunnen kopen. Als je naar de begroting kijkt, is er voldoende geld. Het wordt echter aan allerlei andere zaken uitgegeven.

Slide 33 - Tekstslide

Signaalwoorden
Ik ga elke zondag wielrennen. Met harde wind fiets ik niet.
Ik ga elke zondag wielrennen, behalve als het hard waait.


Door signaalwoorden kun je als lezer ‘signaleren’ dat er in de tekst sprake is van bijvoorbeeld een tegenstelling, een chronologisch verband of een oorzaak en gevolg.


Slide 34 - Tekstslide

Zinsverbanden en signaalwoorden
Zinnen en alinea’s staan niet zomaar achter elkaar. Tussen zinnen en alinea’s bestaan verbanden. Ze vormen samen een goed lopend geheel. 

Een verband tussen zinnen: zinsverband
Een verband tussen alinea’s: alineaverband

Vaak wordt een verband aangegeven door een signaalwoord.
Soms moet je het signaalwoord er zelf bij bedenken. 


Slide 35 - Tekstslide

Soorten verbanden
  • uitspraak - opsomming
  • uitspraak - tegenstelling
  • uitspraak - voorbeeld
  • middel - doel
  • oorzaak - gevolg
  • uitspraak - vergelijking
  • uitspraak - reden
Deze verbanden kunnen ook tussen zinnen voorkomen

Slide 36 - Tekstslide

Zinsverbanden: opsomming en tegenstelling
  • Opsomming/opsommend verband
Na een uitspraak worden verschillende dingen opgesomd.
Signaalwoorden: ook, verder, bovendien, daarnaast, nog, niet alleen...maar ook, ten eerste, ten tweede
VB: Wij hebben diverse sporten gedaan. Eerst hebben we gevoetbald, daarna gevolleybald en tot slot gebasketbald.
  • Tegenstelling/tegenstellend verband
Na een uitspraak wordt het tegengestelde beweerd.
Signaalwoorden: maar, daarentegen, echter, integendeel, enerzijds...
anderzijds, daar staat tegenover
VB: Ik wilde graag gaan sporten, maar ik moest huiswerk maken.

Slide 37 - Tekstslide

  • Zinsverbanden: voorbeeld/toelichtend en middel-doel
  • Voorbeeld/voorbeeldgevend/toelichtend
Na een uitspraak volgt een voorbeeld / een aantal voorbeelden.
Signaalwoorden: bijvoorbeeld, als voorbeeld, zo, zoals, dat wil zeggen, met andere woorden
bv: Mijn vriendin is gek op Russisch eten, zoals plov.

  • Middel-doel
Iemand noemt een doel en een middel waarmee dat doel kan worden bereikt.
Signaalwoorden: waarmee, daarmee, met dat doel, het doel is, door middel van, om te...
bv: De ridder doodt de draak, daarmee wil hij het hart van de prinses veroveren.

Slide 38 - Tekstslide

Zinsverbanden: vergelijking en voorwaarde
  • Vergelijking/vergelijkend verband
Na een uitspraak worden er 2 of meer dingen met elkaar vergeleken. Signaalwoorden: zoals, hetzelfde, dezelfde, in vergelijking met
vb: Ik houd niet van sperziebonen, evenals gekookte wortels, die lust ik ook niet.

  • Voorwaarde/voorwaardelijk verband
Bij een uitspraak wordt in de zinnen ervoor of erna een voorwaarde gesteld.
Signaalwoorden: als, mits, wanneer, indien, tenzij, op voorwaarde dat
vb: Ik ga dat echt niet doen, tenzij ik er betaald voor krijg,

Slide 39 - Tekstslide

Zinsverbanden: reden en oorzaak-gevolg
  • Reden/redengevend verband
Na of voor een uitspraak wordt een reden genoemd. Een reden geeft aan waarom iemand iets wel of niet doet.
Signaalwoorden: daarom, want, omdat, namelijk
VB: We krijgen bij Nederlands veel huiswerk, om die reden is hij mijn minst favoriete docent.
  • Oorzaak-gevolg
Iemand doet een uitspraak die een oorzaak heeft. Daarna wordt het gevolg genoemd.
Signaalwoorden: daardoor, hierdoor, doordat, zodat, waardoor
VB: Soms geeft de docent op vrijdag huiswerk voor maandag, waardoor mijn weekendplannen in het water vallen.

Slide 40 - Tekstslide

Zinsverbanden: samenvatting en conclusie
  • Samenvatting/samenvattend verband
Na één of meer uitspraken worden de belangrijkste punten samengevat.
Signaalwoorden: kortom, samenvattend, al met al, etc.
VB: Op zaterdag heb ik een voetbalwedstrijd en op zondag ga ik naar de stad met vrienden. Al met al heb ik een druk weekend.
  • Conclusie/concluderend verband
Na één of meer uitspraken volgt een eindoordeel of besluit.
Signaalwoorden: dus, concluderend, hieruit volgt, etc.
VB: Er zijn veel lessen uitgevallen, dus de docent moet de deadline voor het opstel maar even uitstellen.

Slide 41 - Tekstslide

Slide 42 - Tekstslide

Citeren
Citeren is het letterlijk kopiëren van andermans woorden. Dit kan een zinsdeel, een zin of een alinea zijn.

De eerste twee woorden en de laatste twee woorden van de zin schrijf je op, met daartussenin 3 puntjes. Vergeet niet om aanhalingstekens te plaatsen. 
‘’Als er…te schrijven’’ (regels XX-XX)


Slide 43 - Tekstslide

Verschil feit en mening
Feit
Is waar of niet waar.
Kun je controleren.

Mening
Is wat iemand vindt. 
Kun je niet controleren

Slide 44 - Tekstslide

Objectieve teksten
... bevatten feiten (geen meningen)

Tekstsoorten
  • informerende teksten
  • uiteenzettende teksten

Let op: In een objectieve tekst kan de mening van een ander voorkomen (niet die van de schrijver)

Slide 45 - Tekstslide

Subjectieve teksten

... bevatten de mening van de schrijver.

Tekstsoorten
  • activerende teksten
  • betogende teksten

Slide 46 - Tekstslide