Thema 1 §2 Organisatieniveaus van de biologie

Organisatieniveaus van de biologie


1 / 27
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

In deze les zitten 27 slides, met tekstslides en 2 videos.

Onderdelen in deze les

Organisatieniveaus van de biologie


Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Video

Slide 3 - Video

   Kleinste biologische eenheid.


Vb. DNA -> groot molecuul.
         
Molecuul 

Slide 4 - Tekstslide

Cel - Prokaryoot

  • Prokaryoot zijn eencellige organisme waarvan de cel geen celkern bevat
  • Prokaryoot = Grieks -> πρό-, pro- = ‘voor’ en kαρυόν, karyon = ‘kern’. 
  • Een organisme waarbij het DNA niet omsloten is door een membraan.

Slide 5 - Tekstslide

De celkern is een vb van een organel

Slide 6 - Tekstslide

Celorganellen

Slide 7 - Tekstslide

Cel - Eukaryoot

  • Eukaryoot - de cel bevat wel een celkern.
  • Eukaryoot = Grieks -> ευ, eu = ‘goed’ en καρυόν, karyon = ‘kern’.
  • Een organisme waarbij het DNA omsloten is door een membraan. Dit membraan en de inhoud noem je bij elkaar de celkern (= organel).
  • Eukaryoten hebben verschillende organellen.

Slide 8 - Tekstslide

Weefsel
  • Weefsel = groep cellen met dezelfde vorm en functie, die met elkaar verbonden zijn door intercellulaire contacten of extracellulaire matrix.
  • Enkele voorbeelden: 
  • Bindweefsel
  • Spierweefsel
  • Beenweefsel
  • Kraakbeenweefsel

Slide 9 - Tekstslide

Orgaan
  • Orgaan = een deel van een organisme met een specifieke bouw en functie.
  • Kan bestaan uit één of meerdere weefsels.

  • Enkele voorbeelden:
  • Blad (plant)
  • Paddenstoel (schimmel)
  • Hart (dier)

Slide 10 - Tekstslide

Orgaanstelsel
  • Orgaanstelsel = het geheel van organen die samen zorgen voor één of meerdere functies.
  • Bestaan altijd uit meerdere organen.
  • Enkele voorbeelden:
  • Bladerstelsel
  • Spijsverteringsstelsel
  • Bloedvatenstelsel
  • Zenuwstelsel
  • Bottenstelsel
  • Voortplantingsstelsel

Slide 11 - Tekstslide

Organisme
  • Organisme = Een levend wezen die ‘alle’ levensverschijnselen bezit (met name stofwisseling en voortplanting = belangrijk).
  • Enkele voorbeelden: 
  • Spitsmuis
  • Den
  • Steenarend
  • Snoek
  • Cholerabacterie

Slide 12 - Tekstslide

Populatie
Populatie = Een groep organismen van hetzelfde soort binnen een bepaald gebied, die zich onderling voortplanten.

Slide 13 - Tekstslide

Levensgemeenschap
Levensgemeenschap = alle populaties binnen een bepaald gebied, die al dan niet interactie hebben met elkaar.

Slide 14 - Tekstslide

Ecosysteem
Ecosysteem = alle biotische en abiotische factoren binnen een bepaald gebied en de interacties daartussen.

Slide 15 - Tekstslide

Biosfeer
Biosfeer = alle ecosystemen van de aarde samengenomen.

Slide 16 - Tekstslide

Emergente eigenschappen

  • ‘Het geheel is meer dan de som der delen’ Aristoteles (384-322 v.Chr.)
  • Emergente eigenschappen = eigenschappen, welke op een hoger organisatieniveau verschijnen en op het een daaronder liggend niveau niet te zien zijn.

Slide 17 - Tekstslide

Emergente eigenschappen
  • Lopen / zingen kun je wel waarnemen bij een organisme. Maar niet op een kleiner niveau. Bijvoorbeeld op celniveau/ orgaanstelselniveau.
  • De meiose kun je waarnemen op het niveau cel, maar niet op het niveau populatie.
  • Klimaatverandering kun je waarnemen binnen een ecosysteem, maar niet op niveau van de celorganel; bladgroenkorrel


Slide 18 - Tekstslide

Maken § 2
Over een half uur kijken we het samen na

Slide 19 - Tekstslide

1. Sommige biologen beschouwen het begrip 'soort'als een organisatieniveau van de biologie. Na welk organisatieniveau kan het begrip 'soort' worden geplaatst?
  • Na het populatieniveau.

Slide 20 - Tekstslide

2. In basisstof 1 lees je over micro-organisme in het maag-darmkanaal. Geef een argument om het maag-darmkanaal als en ecosysteem te beschouwen.
  • De maag is een min of meer begrensd gebied met
    bepaalde eigenschappen (bijvoorbeeld een warm, vochtig, zuurstofarm milieu) waarbinnen de abiotische en biotische factoren een eenheid vormen.

Slide 21 - Tekstslide

3. Met welk organisatieniveau kun je een enterotype vergelijken?
  • Een enterotype kun je vergelijken met het organisatieniveau levensgemeenschap.

Slide 22 - Tekstslide

4. Welk organisatieniveau wordt in het eneterotypeonderzoek nog meer bestudeerd? Leg je antwoord uit.
  • Het organisatieniveau molecuul. Het DNA van de bacteriën wordt onderzocht. DNA is een molecuul

Slide 23 - Tekstslide

5. Welke organisatieniveaus ontbreken bij bacteriën?
  • Bij bacteriën ontbreken de organisatieniveaus:
    organel, orgaan en organenstelsel.

Slide 24 - Tekstslide

6. Op welk organisatieniveau ontstaat de emergente eigenschap vliegen?
  • Op het organisatieniveau organisme ontstaat de
    emergente eigenschap vliegen.

Slide 25 - Tekstslide

7. Behoort de mens tot de prokaryoten of tot de eukaryoten? Leg je antwoord uit.
  • Een mens behoort tot de eukaryoten, doordat de mens
    geen eencellig organisme is. Menselijke cellen bevatten bovendien organellen zoals een celkern.

Slide 26 - Tekstslide

8. Het versterkte broeikaseffect is een milieu probleem. Op welk organisatieniveau speelt dit milieuprobleem zich af? Leg je antwoord uit.
  • Het versterkte broeikaseffect speelt zich af op het
    niveau biosfeer of het systeem aarde, doordat meerdere ecosystemen erdoor worden beïnvloed.

Slide 27 - Tekstslide