cross

B3 H3 Grammatica en spelling (I): samengestelde zinnen

GIDS NEDERLANDS
INFORMATIE VOOR LESSEN NEDERLANDS
1 / 53
volgende
Slide 1: Tekstslide
Nederlandsvmbo bLeerjaar 3

In deze les zitten 53 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 20 min

Onderdelen in deze les

GIDS NEDERLANDS
INFORMATIE VOOR LESSEN NEDERLANDS

Slide 1 - Tekstslide

DOEL

SAMENGESTELDE ZINNEN

- Je weet wat een samengestelde zin is

- je kunt de persoonsvormen en onderwerpen in samengestelde zinnen vinden




Slide 2 - Tekstslide

Hoe vind je de persoonsvorm in een zin?

Slide 3 - Open vraag

Hoe vind je het onderwerp in een zin?

Slide 4 - Open vraag

Persoonsvorm en onderwerp


Persoonsvorm

Tijdproef: Ik had slagroom in de chocolademelk gedaan.

Persoonsvorm = heeft

Onderwerp

Onderwerpsvraag: Wie (of wat) heeft?

Onderwerp = Ik

Ik heb slagroom in de chocolademelk gedaan.

Slide 5 - Tekstslide

Persoonsvorm en onderwerp


Persoonsvorm

Tijdproef: De luisteraars genoten van het concert

Persoonsvorm = genieten

Onderwerp

Onderwerpsvraag: Wie (of wat) genieten?

Onderwerp = De luisteraars

De luisteraars genieten van het concert

Slide 6 - Tekstslide

Zet de zin in een andere tijd:
Kavish heeft een boek geleend.

Slide 7 - Open vraag

Wat is de pv?
Kavish heeft een boek geleend.

Slide 8 - Open vraag

Wat is de 'onderwerpsvraag'?
Kavish heeft een boek geleend.

Slide 9 - Open vraag

Wat is het onderwerp?
Kavish heeft een boek geleend.

Slide 10 - Open vraag

Verander de zin van tijd:
Hij leest daar dagelijks in.

Slide 11 - Open vraag

Wat is de persoonsvorm?
Hij leest daar dagelijks in.

Slide 12 - Open vraag

Wat is de 'onderwerpsvraag'?
Hij leest daar dagelijks in.

Slide 13 - Open vraag

Wat is het onderwerp?
Hij leest daar dagelijks in.

Slide 14 - Open vraag

Wat is de pv?
Morgen neemt de jongen het boek mee.

Slide 15 - Open vraag

Wat is het ow?
Morgen neemt de jongen het boek mee.

Slide 16 - Open vraag

SAMENGESTELDE ZINNEN

Wanneer je van twee korte zinnen één lang zin maakt,

dan noem je die zin een samengestelde zin.


VOORBEELD:

Ik loop naar de bakker.       Ik koop een brood.


Ik loop naar de bakker en ik koop een brood.



Het woordje 'en' verbind hier de twee zinnen aan elkaar.

Slide 17 - Tekstslide

SAMENGESTELDE ZINNEN

In iedere zin staat een persoonsvorm. 

Zinnen met twee persoonsvormen noem je

samengestelde zinnen. 


Bij elke persoonsvorm hoort een onderwerp.

In samengestelde zinnen staan dus ook twee onderwerpen.



Slide 18 - Tekstslide

SAMENGESTELDE ZINNEN

Met een verbindingswoord, zoals en, maar, omdat  of want, kun je van twee korte zinnen een samengestelde zin maken:


VOORBEELD:

Kim leest een boek.      Rick leest een stripverhaal.


Kim leest een boek, maar Rick leest een stripverhaal.



Slide 19 - Tekstslide

SAMENGESTELDE ZINNEN

Soms verandert de volgorde van de woorden in het tweede deel van de zin:


VOORBEELD:

Giel zit op basketbal.       Hij houdt van sporten.


Gielt zit op basketbal, omdat hij van sporten houdt.



Slide 20 - Tekstslide

SAMENGESTELDE ZINNEN

In een samengestelde zin kunnen naast de persoonsvormen nog meer werkwoorden staan.


VOORBEELD:

De fietser wil graag doorrijden, maar de weg is geblokkeerd.

                                                   



pv
pv
geen pv
geen pv

Slide 21 - Tekstslide

Verbind de losse zinnen met een passend verbindingswoord, zodat je één goede zin krijgt. Je mag de woordvolgorde veranderen.
Kies uit: dus, maar, omdat

Wouter zat in het park te vissen. Hij ving niet één vis.

Slide 22 - Open vraag

Verbind de losse zinnen met een passend verbindingswoord, zodat je één goede zin krijgt. Je mag de woordvolgorde veranderen.
Kies uit: dus, maar, omdat

Het derde lesuur houdt Mo zijn presentatie. De klas luistert.

Slide 23 - Open vraag

Verbind de losse zinnen met een passend verbindingswoord, zodat je één goede zin krijgt. Je mag de woordvolgorde veranderen.
Kies uit: dus, maar, omdat

Robin heeft strafwerk. Ze praatte tijdens de les.

Slide 24 - Open vraag

Verbind de losse zinnen met een passend verbindingswoord, zodat je één goede zin krijgt. Je mag de woordvolgorde veranderen.
Kies uit: dus, maar, omdat

Op zaterdag eten wij altijd pizza. Mijn moeder heeft geen zin om te koken.

Slide 25 - Open vraag

Verbind de losse zinnen met een passend verbindingswoord, zodat je één goede zin krijgt. Je mag de woordvolgorde veranderen.
Kies uit: dus, maar, omdat

Sanne had haar kamer geverfd. Hij was niet mooi geworden.

Slide 26 - Open vraag

Verbind de losse zinnen met een passend verbindingswoord, zodat je één goede zin krijgt. Je mag de woordvolgorde veranderen.
Kies uit: dus, maar, omdat

Ik lust echt geen patat. Ik ga niet naar de McDonald's.

Slide 27 - Open vraag

DOE JE OORTJES IN EN LUISTER NAAR HET VOLGENDE FILMPJE!!

Slide 28 - Tekstslide

Slide 29 - Video

PERSOONSVORMEN

IN EEN SAMENGESTELDE ZIN

Zet de zin in een andere tijd:

Je maakt van de tegenwoordige tijd verleden tijd, of andersom. 

De werkwoorden die veranderen, zijn de persoonsvormen.


VOORBEELD:

Ariane vertelt dat ze een prijs heeft gewonnen. 


 Ariane vertelde dat ze een prijs had gewonnen.

Slide 30 - Tekstslide

ONDERWERPEN

IN EEN SAMENGESTELDE ZIN

Stel met iedere persoonsvorm de onderwerpsvraag.

De antwoorden op deze vragen zijn de onderwerpen.


VOORBEELD:

Ariane vertelt dat ze een prijs heeft gewonnen. 

1. Wie (of wat) vertelt?        Onderwerp = Ariane

2. Wie (of wat) heeft?      Onderwerp = ze


Slide 31 - Tekstslide

Noteer de twee persoonsvormen:

De film begon om negen uur, maar ik had geen tijd om te kijken.

Slide 32 - Open vraag

Noteer de twee onderwerpen:

De film begon om negen uur, maar ik had geen tijd om te kijken.

Slide 33 - Open vraag

Noteer de twee persoonsvormen:

Jennifer mag geen rekenmachine gebruiken tijdens de toets en zij heeft nog wel dyscalculie!

Slide 34 - Open vraag

Noteer de twee onderwerpen:

Jennifer mag geen rekenmachine gebruiken tijdens de toets en zij heeft nog wel dyscalculie!

Slide 35 - Open vraag

Noteer de twee persoonsvormen:

Wilt u misschien de vraag even herhalen, want ik begrijp hem niet zo goed.

Slide 36 - Open vraag

Noteer de twee onderwerpen:

Wilt u misschien de vraag even herhalen, want ik begrijp hem niet zo goed.

Slide 37 - Open vraag

Noteer de twee persoonsvormen:

Jamal gaf de moed niet op, ook al verloor hij voor de vierde keer.

Slide 38 - Open vraag

Noteer de twee onderwerpen:

Jamal gaf de moed niet op, ook al verloor hij voor de vierde keer.

Slide 39 - Open vraag

Noteer de twee persoonsvormen:

Kom je mij thuis ophalen of zullen we in het centrum afspreken?

Slide 40 - Open vraag

Noteer de twee onderwerpen:

Kom je mij thuis ophalen of zullen we in het centrum afspreken?

Slide 41 - Open vraag

Noteer de twee persoonsvormen:

Mijn kamer is een enorme puinhoop, dus begin ik maar eens met opruimen.

Slide 42 - Open vraag

Noteer de twee onderwerpen:

Mijn kamer is een enorme puinhoop, dus begin ik maar eens met opruimen.

Slide 43 - Open vraag

Noteer de twee persoonsvormen:

Mevrouw Luijk keek gauw de toets na, want dat had ze haar leerlingen beloofd.

Slide 44 - Open vraag

Noteer de twee onderwerpen:

Mevrouw Luijk keek gauw de toets na, want dat had ze haar leerlingen beloofd.

Slide 45 - Open vraag

Noteer de twee persoonsvormen:

Joris hoopte echt dat zijn vader het verhaal zou geloven.

Slide 46 - Open vraag

Noteer de twee onderwerpen:

Joris hoopte echt dat zijn vader het verhaal zou geloven.

Slide 47 - Open vraag

Noteer de twee persoonsvormen:

In de keuken werkt de kok en de serveerster bedient de gasten.

Slide 48 - Open vraag

Noteer de twee onderwerpen:

In de keuken werkt de kok en de serveerster bedient de gasten.

Slide 49 - Open vraag

GELEERD?

SAMENGESTELDE ZINNEN

- Je weet wat een samengestelde zin is

- je kunt de persoonsvormen en onderwerpen in samengestelde zinnen vinden



Slide 50 - Tekstslide

Wat wist je al?

Slide 51 - Open vraag

Is er iets wat je nog niet zo goed snapt?
Zo ja, schrijf dit op.

Slide 52 - Open vraag

GIDS NEDERLANDS
INFORMATIE VOOR LESSEN NEDERLANDS

Slide 53 - Tekstslide