Evaluatie Methodisch werken- Observeren ( onderdeel waarnemen)

Les 5 Observeren 
Wat gaan we doen? 
- Terugblikken en afronden onderdeel Waarnemen( toets vorm)
- Observatie schema 
- Opdrachten in Share Point

1 / 36
volgende
Slide 1: Tekstslide
WelzijnMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 36 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 120 min

Onderdelen in deze les

Les 5 Observeren 
Wat gaan we doen? 
- Terugblikken en afronden onderdeel Waarnemen( toets vorm)
- Observatie schema 
- Opdrachten in Share Point

Slide 1 - Tekstslide

Wat hebben we gedaan? 
- Valkuilen van observeren 
- Methodisch observeren en observatie methoden
- Jouw positie als observator
- Observatie methode 'KIJK'

Slide 2 - Tekstslide

Terugblikken

Wat weet je nog van de behandelde theorie? 

Slide 3 - Tekstslide

Waarnemen en Observeren is hetzelfde
A
Waar
B
Niet waar

Slide 4 - Quizvraag

Waarnemen doe je met alle zintuigen.
Wat zijn de 5 zintuigen?

Slide 5 - Open vraag

Wat zijn de 2 kenmerken van observeren?
A
Planmatig en waarneming
B
Waarnemingsproces en doelgericht
C
Planmatig en doelbewust
D
Prikkels en waarnemingsproces

Slide 6 - Quizvraag

Wat is het verschil tussen een objectief en subjectieve observatie?

Slide 7 - Open vraag

Objectief Observeren 
Feitelijk. Dat wat daadwerkelijk gebeurt.
Objectief is waarnemen zonder oordeel, gevoel, verklaring of betekenis.
''M. staat op, loopt naar de stoel en gaat zitten''.

Slide 8 - Tekstslide

Subjectief Observeren 
Subjectief = je eigen mening
''Ik denk dat Meike verkouden is''.

Slide 9 - Tekstslide

1. Finn Loopt het lokaal in en geeft de meester een hand
A
Objectief
B
Subjectief

Slide 10 - Quizvraag

2. Isa trekt een boos gezicht naar Eva die daarop onverschillig reageert
A
Subjectief
B
Objectief

Slide 11 - Quizvraag

Wat zijn de 4 basisbehoeften van het kind?

Slide 12 - Open vraag

Basisbehoeften 
4 basisbehoeften van kinderen:
-Veilige omgeving
-Hechtingsfiguur
-Autonomie
-Positieve interactie
Hoe weet je of een kind zich prettig voelt.... door te observeren!! 

Slide 13 - Tekstslide

Wat betekent interpreteren ?
A
Betekenis geven aan een gebeurtenis
B
Denken aan een gebeurtenis
C
Handelen na een gebeurtenis
D
Nagaan of iets echt gebeurt is

Slide 14 - Quizvraag

Prikkels zijn brokjes informatie die binnen komen via je zintuigen
A
Waar
B
Niet waar

Slide 15 - Quizvraag

Als je als PM'er opmerkt dat er iets bij een kind "niet klopt" noemen we dat Signaleren.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 16 - Quizvraag

Observeren doe je zowel bewust als onbewust.. is dit waar of niet en waarom zeg je dat?

Slide 17 - Open vraag

Wat kun je doen om te weten of je observatie betrouwbaar is?

Slide 18 - Open vraag

Noem een voorbeeld van een situatie waarin duidelijk een stimulus en response is

Slide 19 - Open vraag

Noem tenminste 3 factoren die een observatie kan beïnvloeden

Slide 20 - Open vraag

Noem tenminste 4 valkuilen bij het observeren

Slide 21 - Open vraag

Observeren doe je methodisch.
Je neem waar, je signaleert en observeert.
en daarna trek je een ...... en dat is je ........
A
en daarna trek je een interpretatie en dat is je conclusie
B
en daarna trek je een waarneming en dat is je feitelijke kennis
C
en daarna trek je een conclusie en dat is je beginsituatie
D
en daarna trek je een interpretatie en dat is je conclusie

Slide 22 - Quizvraag

Bij een beschrijvende observatie weet je al van te voren wat je precies wil observeren
A
Waar
B
Niet waar

Slide 23 - Quizvraag

Wat houdt de observatie methode participerend/ ongestructureerd in?

Slide 24 - Open vraag

Evaluatie;
Ik ben tot de ontdekking gekomen dat...
A
Ik de theorie heel goed beheers
B
Ik de theorie nog niet helemaal beheers
C
Ik de theorie helemaal NIET beheers

Slide 25 - Quizvraag

Stappen observatie plan 

Slide 26 - Tekstslide

Observeren is
 Doelgericht: 
Een observatie heeft altijd een doel. Je begint met een vraag die je wilt beantwoorden.
 Planmatig: 
Je observeert systematisch volgens een plan. Je bedenkt vooraf waarnaar je wilt gaan kijken, hoe je gaat kijken en hoe je de gegevens noteert.

Slide 27 - Tekstslide

Stappen observatie plan 
Stap 1. Aanleiding 
Stap 2. Observatie doel en onderzoeksvraag 
Stap 3. Concreet gedrag 
Stap 4. Observatie categorieën 
Stap 5. Observatie methode 
Stap 6. Plaats en tijd 
Stap 7. Algemene gegevens 

Slide 28 - Tekstslide

Stap 1 Aanleiding 
De aanleiding; waarom heb je gekozen om dit kind te observeren?

De aanleiding hoeft niet altijd een probleem te beschrijven, het kan ook een positieve situatie zijn.
Positieve situatie: Tom wordt vaak gekozen om mee te spelen
Probleem situatie: Meike weet vaak niet wat ze moet doen bij een activiteit
Bv: waarom is M altijd zo onrustig tijdens rekenen of waarom reageert M soms agressief op het plein.

Slide 29 - Tekstslide

Stap 2 Observatie doel en onderzoeksvraag/ Achtergrond gegevens
Waar moet de observatie antwoord op geven? Uit de beschrijving blijkt wie je gaat observeren, welk gedrag je gaat observeren en in welke situatie je gaat observeren.

Je schrijf gegevens van het kind op. Dingen die te maken hebben met de reden waarom je observeert.
Leeftijd
Gezinssamenstelling
Gegevens thuissituatie Kind ziek geweest? Verhuizing? Geëmigreerd? Gevlucht?
Welke groep zit het kind
De situatie/les waar het gedrag zich vaak voordoet
De achtergrondgegevens kunnen erg belangrijk zijn bij het antwoord geven op je observatievraag.

Slide 30 - Tekstslide

Stap 3 Concreet gedrag 
Omschrijf het gedrag dat je gaat observeren. Dat doe je heel concreet, geformuleerd als waarneembaar gedrag.
Voordat je observeert; schrijf je een vraagstelling op
Je kunt gerichter observeren. Wat wil je precies observeren?
In de vraagstelling staat:
1. Wie ga je observeren M. Fictieve naam of alleen voorletter
2. Welk aspect van het gedrag je gaat observeren Aandacht. Je wilt namelijk weten waar de aandacht van Meike op gericht is
3. In welke situatie je gaat observeren Tijdens de uitleg van een activiteit. Dit is de situatie waar het opvallende gedrag zich voordoet

Slide 31 - Tekstslide

Stap 4 Observatie categorieën/ Observatie methoden en hulpmiddelen 
Op basis van het lijstje met concreet gedrag, stel je de observatiecategorieën vast. Dat zijn de gebieden waarop je gaat letten.

Welke methode je kiest hangt af van wat je wilt weten​. 
Kwalitatief = alles letterlijk opschrijven
Kwantitatief = turven

Hulpmiddelen: potlood, papier, laptop, tablet, stopwatch, observatieformulieren, camera, geluidsrecorder​

Slide 32 - Tekstslide

Stap 5 Observatie methode (Voer je observatie uit )
Beschrijf met welke methode je het gedrag gaat observeren en hoe je de methode in de praktijk gaat uitvoeren.
en 
Wees objectief. Vergeet meningen en gedachten, noteer waargenomen feiten!
Je beschrijft hier ofwel voluit of in een schema je waarnemingen op



Slide 33 - Tekstslide

Stap 6 Plaats en tijd->Orden de gegevens 
Wanneer? Welk tijdstip? Welke dag? Waar?​
Stel de omstandigheden vast waaronder je observeert. Beschrijf de ruimte, de situatie(s), de data, het tijdstip en de personen die meewerken.
en 
Maak een ‘samenvatting’ van je observatieverslag​ ​
Ruimte om notities te ordenen​
Verzamel de meest opvallende dingen​ Voorbeelden​
Kijk naar wat je juist niet had verwacht?​
Komt iets vaak voor of juist heel weinig?​
NOG GEEN MENING

Slide 34 - Tekstslide

Stap 7 Algemene gegevens/ Geef KORT antwoord op de vraagstelling 
Geef een korte omschrijving van de persoon of groep die je gaat observeren.
en 
Herhaal de vraagstelling: waar ga je antwoord op geven?​
Interpreteren: je gaat betekenis geven aan het gedrag dat je hebt geobserveerd​
Wees heel voorzichtig met interpreteren! Geef aan dat het jouw interpretatie is:​ Ik denk…​ Volgens mij…​ Ik heb de indruk dat…​
Maak duidelijk onderscheid tussen feiten uit de observatie en jouw interpretatie​ Ik kreeg de indruk dat Roos erg afgeleid was tijdens de uitleg van de activiteit. Zij keek vaak (ong. 10 keer) naar buiten.​

Slide 35 - Tekstslide

Evaluatie
A
De stappen van het observatie plan zijn duidelijk
B
De stappen van het observatie plan zijn mij nog niet zo duidelijk

Slide 36 - Quizvraag