Les 1: fasen + faseovergangen

Les 1: fasen + faseovergangen
1 / 27
volgende
Slide 1: Tekstslide
ScheikundeMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 27 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Les 1: fasen + faseovergangen

Slide 1 - Tekstslide

Introductie
Joostina Fennema
Team veehouderij
Scheikunde, biologie, VCA & gewasbescherming

Namenronde 

Slide 2 - Tekstslide

Opbouw leerjaar 1
  • 3 periodes van 10 weken 
  • Na iedere periode een toets (oogstweek)
  • Dus 3 toetsen in leerjaar 1

Slide 3 - Tekstslide

Waarom scheikunde?
  • Mest en bodem
  • Voedingsstoffen
  • Melk  kwaliteit 
  • Diergezondheid 

Slide 4 - Tekstslide

Het deeltjesmodel
Er bestaan miljoenen verschillende stoffen. Elke stof heeft zijn eigen kenmerkende eigenschappen. Om die stofeigenschappen te kunnen verklaren, kun je gebruikmaken van het deeltjesmodel. Dat is een vereenvoudigde voorstelling van hoe stoffen ‘in elkaar zitten’.


Slide 5 - Tekstslide

Het deeltjesmodel
Er bestaan miljoenen verschillende stoffen. Elke stof heeft zijn eigen kenmerkende eigenschappen. Om die stofeigenschappen te kunnen verklaren, kun je gebruikmaken van het deeltjesmodel. Dat is een vereenvoudigde voorstelling van hoe stoffen ‘in elkaar zitten’.


Slide 6 - Tekstslide

Het deeltjesmodel


De belangrijkste kenmerken van het deeltjesmodel zijn:
• Elke stof is opgebouwd uit heel kleine deeltjes, moleculen genoemd.
• Elke stof bestaat uit zijn eigen soort moleculen. Suiker bestaat uit suikermoleculen. Water bestaat uit watermoleculen. Een watermolecuul zit anders in elkaar dan een suikermolecuul.
• Moleculen bewegen voortdurend.
• Als de temperatuur stijgt, gaan de moleculen sneller (heftiger) bewegen.
• Moleculen trekken elkaar aan.

Slide 7 - Tekstslide

Wat is een molecuul?
A
Een atoom
B
Een stof dat uit metalen is opgebouwd
C
Een klein deeltje waaruit een stof is opgebouwd
D
Een verzameling van protonen en neutronen in de kern

Slide 8 - Quizvraag

Fasen en toestandsaanduidingen
IJs, water en waterdamp bestaan alle drie uit watermoleculen. Toch ziet ijs er anders uit dan vloeibaar water. 

Dat komt doordat stoffen, in dit geval water, in drie toestanden kunnen voorkomen: vast, vloeibaar en gasvormig. 

Deze toestanden noem je ook wel de fasen. De fase van een stof hangt af van de manier waarop de moleculen in die stof bewegen.

Slide 9 - Tekstslide

Vaste stof
In een vaste stof zitten de moleculen dicht tegen elkaar aan en veranderen niet van plek. Wel trillen ze heen en weer. Doordat elk molecuul een vaste plek heeft en er niet veel ruimte tussen de moleculen zit, heeft een vaste stof een vaste vorm. Dat komt ook doordat moleculen van een vaste stof elkaar stevig aantrekken.

De vaste fase wordt aangegeven met (s) van het Engelse solid (vast). Bevroren water (ijs) noteer je als water(s).

Slide 10 - Tekstslide

Vloeistof
In een vloeistof zitten de moleculen nog steeds vrij dicht bij elkaar, maar bewegen kriskras langs elkaar heen. De aantrekkingskracht tussen moleculen is bij een vloeistof minder groot dan bij een vaste stof. Hierdoor houden de moleculen elkaar niet meer op een vaste plek, maar gaan ze door elkaar heen bewegen. Een vloeistof heeft dan ook geen vaste vorm.


De vloeibare fase geef je aan met (l) van het Engelse liquid (vloeibaar). Vloeibaar water noteer je als water(l).

Slide 11 - Tekstslide

Gas
In de gasfase bewegen de moleculen net als in de vloeistoffase door elkaar heen. Vergeleken met de vloeistoffase is de afstand tussen de moleculen in de gasfase veel groter. Er is dan ook bijna geen aantrekkingskracht meer tussen de moleculen. Doordat de moleculen in een gas ver uit elkaar zitten, hebben gassen een lagere dichtheid dan vloeistoffen en kun je gassen gemakkelijk samenpersen. 


De gasvormige fase geef je aan met (g) van het Engelse gaseous (gasvormig). Waterdamp noteer je als water(g).

Slide 12 - Tekstslide

Gas
Vast
Vloeistof

Slide 13 - Sleepvraag

Faseovergangen

Slide 14 - Tekstslide

Les 1: Fasen en  fase overgangen

Slide 15 - Tekstslide

Leerdoelen
Aan het einde van deze les kun jij:

  1. De belangrijkste kenmerken van het deeltjesmodel benoemen
  2. De toestand aanduidingen  (fasen) met hun betekenis omschrijven 
  3. De zes faseovergangen benoemen.
  4. Uitleggen welke invloed verandering van temperatuur heeft op de snelheid en onderlinge aantrekkingskracht van moleculen
  5. Uitleggen waarom veranderingen in de snelheid van moleculen en hun onderlinge aantrekkingskracht een faseovergang tot gevolg kunnen hebben

Slide 16 - Tekstslide

Het deeltjesmodel
Er bestaan miljoenen verschillende stoffen. Elke stof heeft zijn eigen kenmerkende eigenschappen. Om die stofeigenschappen te kunnen verklaren, kun je gebruikmaken van het deeltjesmodel. Dat is een vereenvoudigde voorstelling van hoe stoffen ‘in elkaar zitten’.


Slide 17 - Tekstslide

Het deeltjesmodel


De belangrijkste kenmerken van het deeltjesmodel zijn:
• Elke stof is opgebouwd uit heel kleine deeltjes, moleculen genoemd.
• Elke stof bestaat uit zijn eigen soort moleculen. Suiker bestaat uit suikermoleculen. Water bestaat uit watermoleculen. Een watermolecuul zit anders in elkaar dan een suikermolecuul.
• Moleculen bewegen voortdurend.
• Als de temperatuur stijgt, gaan de moleculen sneller (heftiger) bewegen.
• Moleculen trekken elkaar aan.

Slide 18 - Tekstslide

Wat is een molecuul?
A
Een atoom
B
Een stof dat uit metalen is opgebouwd
C
Een klein deeltje waaruit een stof is opgebouwd
D
Een verzameling van protonen en neutronen in de kern

Slide 19 - Quizvraag

Fasen en toestandsaanduidingen
IJs, water en waterdamp bestaan alle drie uit watermoleculen. Toch ziet ijs er anders uit dan vloeibaar water. 

Dat komt doordat stoffen, in dit geval water, in drie toestanden kunnen voorkomen: vast, vloeibaar en gasvormig. 

Deze toestanden noem je ook wel de fasen. De fase van een stof hangt af van de manier waarop de moleculen in die stof bewegen.

Slide 20 - Tekstslide

Vaste stof
In een vaste stof zitten de moleculen dicht tegen elkaar aan en veranderen niet van plek. Wel trillen ze heen en weer. Doordat elk molecuul een vaste plek heeft en er niet veel ruimte tussen de moleculen zit, heeft een vaste stof een vaste vorm. Dat komt ook doordat moleculen van een vaste stof elkaar stevig aantrekken.

De vaste fase wordt aangegeven met (s) van het Engelse solid (vast). Bevroren water (ijs) noteer je als water(s).

Slide 21 - Tekstslide

Vloeistof
In een vloeistof zitten de moleculen nog steeds vrij dicht bij elkaar, maar bewegen kriskras langs elkaar heen. De aantrekkingskracht tussen moleculen is bij een vloeistof minder groot dan bij een vaste stof. Hierdoor houden de moleculen elkaar niet meer op een vaste plek, maar gaan ze door elkaar heen bewegen. Een vloeistof heeft dan ook geen vaste vorm.


De vloeibare fase geef je aan met (l) van het Engelse liquid (vloeibaar). Vloeibaar water noteer je als water(l).

Slide 22 - Tekstslide

Gas
In de gasfase bewegen de moleculen net als in de vloeistoffase door elkaar heen. Vergeleken met de vloeistoffase is de afstand tussen de moleculen in de gasfase veel groter. Er is dan ook bijna geen aantrekkingskracht meer tussen de moleculen. Doordat de moleculen in een gas ver uit elkaar zitten, hebben gassen een lagere dichtheid dan vloeistoffen en kun je gassen gemakkelijk samenpersen. 


De gasvormige fase geef je aan met (g) van het Engelse gaseous (gasvormig). Waterdamp noteer je als water(g).

Slide 23 - Tekstslide

Gas
Vast
Vloeistof

Slide 24 - Sleepvraag

Welke fasen zijn op deze afbeelding te zien?

Slide 25 - Tekstslide

Faseovergangen

Slide 26 - Tekstslide

Aan de slag!

Slide 27 - Tekstslide