lesson 6

Unit 5 - lesson 6
1 / 17
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsVoortgezet speciaal onderwijs

In deze les zitten 17 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Unit 5 - lesson 6

Slide 1 - Tekstslide

Upcoming tests
19 februari SO unit 5
5 maart hoofdstuktoets unit 5

Check SOM!

Slide 2 - Tekstslide

Plan of today
  • Homework
  • What did we learn last time?
  • Learning goal of today 
  • Instruction 
  • Get to work  
  • Evaluation

Slide 3 - Tekstslide

Show your homework
  • Unit 5, opdracht 1 t/m 10 sowieso!
  • Strafregels van...
Senna
Jaydey
Willem
Floris

Slide 4 - Tekstslide

Use the present continuous:
(crawl) She ___________ around like a dog right now!

Slide 5 - Open vraag

Use the present simple:
(order) She ________ a milkshake every time we go to McDonalds.

Slide 6 - Open vraag

Use the present simple or present continuous:

(look) I don't think she ___________ at us right now.

Slide 7 - Open vraag

Translate to English:
rommel, rotzoo

Slide 8 - Open vraag

Translate to Dutch:
fizzy drink

Slide 9 - Open vraag

Finish the short answer:
Have you got the homework?
A
Yes, you don't.
B
Yes, I have.
C
No, I haven't.
D
No, you haven't.

Slide 10 - Quizvraag

Learning Goal
What is the learning goal of today?
  • I can tell someone how much, many, little, or few there is of something.
  • Ik kan aan iemand vertellen hoe veel of hoe weinig er is van iets.

What do you know about the learning goal? 
een beetje tomatensaus = 

How are we going to reach the learning goal?
You will follow an instruction (5 minutes)
You will work on the workbook exercises (20 min.)

Slide 11 - Tekstslide

Much <> Many
Much gebruik je als..
  • je iets niet kan tellen
  • er geen -s achter het woord kan
  • much water, much coffee, much milk

Many gebruik je als:
  • je wel iets kan tellen
  • er kan -s achter het woord
  • many eggs, many hours, many apples

Slide 12 - Tekstslide

Little <> Few
  • Little en few betekenen weinig.

  • Few people, few days, few cars
  • Weinig mensen, weinig dagen, weinig auto's

  • Little money, little time, little energy
  • Weinig geld, weinig tijd, weinig energie

Slide 13 - Tekstslide

Wanneer gebruik je few:

  • het is weinig
  • je kan het tellen
  • er kan -s achter het woord
  • Few eggs, few cups, few plates, few apples
Wanneer gebruik je little:

  • het is weinig
  • je kan het niet tellen
  • er kan geen -s achter het woord
  • Little time, little energy, little water

Slide 14 - Tekstslide

Use the right amount:
I have _______ money left.
A
little
B
few

Slide 15 - Quizvraag

Get to work!
  • Maak van unit 5 de opdrachten 22 t/m 30 (29 hoeft niet)

  • Bij vragen steek je je hand op in stilte. De docent komt je helpen. 

  • Je kijkt de gemaakte opdrachten na met het antwoordenboek. 

  • Als je helemaal klaar bent, zorg je ervoor dat de opdrachten t/m 15 ook af zijn!

Slide 16 - Tekstslide

EVALUATION
  • What went well?

  • What can go better?

  • Did we reach the learning goal?
weinig water    =
veel geld            =

Slide 17 - Tekstslide