De Olympische winterspelen

1 / 46
volgende
Slide 1: Tekstslide
Lichamelijke opvoedingMiddelbare schoolvmboLeerjaar 1-4

In deze les zitten 46 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 13 videos.

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Thema Olympische winterspelen
- Geschiedenis olympische (winter)spelen
- De sporten
- Nederland

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 3 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Slide 4 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Slide 5 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Wat zijn de Olympische Spelen?
  • De Olympische Spelen zijn internationale sportwedstrijden
  • Sporters uit de hele wereld doen mee
  • Ze komen oorspronkelijk uit Griekenland (meer dan 2000 jaar geleden)
  • In 1896 begonnen de moderne Olympische Spelen opnieuw (zomerspelen)
  • Geïnspireerd door het gelijknamige Griekse evenement in de Oudheid.


Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Waarom kwamen de Winterspelen?
  • De eerste moderne Olympische Spelen waren alleen zomersporten.
  • Sporten zoals: schaatsen, skiën, ijshockey konden daar niet goed in mee.
       Deze sporten hebben ijs en sneeuw nodig.
  • Daarom ontstond het idee: aparte Olympische Spelen voor wintersport
👉 Eerst hoorden wintersporten nog bij de Zomerspelen, maar dat werkte niet goed.

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

De eerste Olympische Winterspelen
Jaar: 1924
Plaats: Chamonix, Frankrijk
Dit heette eerst een internationale wintersportweek
Later werd dit officieel de eerste Olympische Winterspelen
Belangrijk: 16 landen deden mee, Ongeveer 250 sporters
Bijna alleen mannen (vrouwen mochten later meedoen)

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 9 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Slide 10 - Link

Deze slide heeft geen instructies

Waar worden de Olympische winterspelen in 2024 gehouden?
A
Milaan
B
Tokio
C
Londen
D
Berlijn

Slide 11 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welke olympische wintersporten weet je?

Slide 12 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

Welke sporten
De disciplines van de Winterspelen vallen onder zeven categorieën: 
  1. biatlon, 
  2. curling, 
  3. ijshockey, 
  4. rodelen, 
  5. schaatsen, 
  6. skiën (waar ook snowboarden onder valt), 
  7. ski-alpinisme en sleesporten.

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Biatlon

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 15 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Biatlon is een gecombineerde sport, de combinatie bestaat uit ... en ...
A
Langlaufen en geweerschieten
B
Langlaufen en bowlen
C
Skiën en geweerschieten
D
Skiën, hardlopen en curling

Slide 16 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat moet je doen als je schoten mist?
A
Niets, je moet 5 doelen raken om door te mogen.
B
Een strafronde langlaufen of een tijdsstraf
C
10 pushups
D
Een liedje zingen

Slide 17 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Curling

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 19 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het doel van het vegen?

Slide 20 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Waarom hebben curlingspelers speciale schoenen aan?
A
Omdat ze warmer zijn
B
Omdat één schoen kan glijden en de andere niet
C
Hun eigen schoenen met aangepaste gladde zolen
D
Omdat ze er mooi uitzien

Slide 21 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Ijshockey

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 23 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Hoeveel spelers spelen er tegelijk bij een ijshockeywedstrijd? (inclusief keeper)
A
6 spelers
B
12 spelers
C
11 spelers
D
7 spelers

Slide 24 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slee sporten 

Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 26 - Video

Deze slide heeft geen instructies

De sleesporten op de Olympische spelen bestaan uit:
A
Langlaufen en geweerschieten
B
Rodelen en bobslee
C
Rodelen, bobslee en skeleton
D
Skeleton, bobslee

Slide 27 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat voor snelheden kunnen bij het bobsleeën bereikt worden?
A
+/- 80 KMPH
B
+/- 150 KMPH
C
+/- 100 KMPH
D
+/- 125 KMPH

Slide 28 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

De snelheid van een bobslee is afhankelijk van?
A
De glijders van de bobslee
B
De aerodynamica van de bobslee
C
Totale gewicht van de deelnemers en de bobslee
D
Al het bovenstaande is juist

Slide 29 - Quizvraag

Naast het aanduwen bij de start is er tijdens een bobsleewedstrijd één kracht die er voor zorgt dat de bobslee snelheid maakt, de zwaartekracht (FZ) (zie figuur 1). Deze zwaartekracht heeft een component die loodrecht op de helling staat (FZ * cos α) en een component die parallel loopt aan de helling (FZ * sin α). De normaalkracht (FN) is de kracht di loodrecht op het raakvlak met het voorwerp (in dit geval de helling) werkt. Aan de zwaartekracht zit een maximum aangezien er regels zijn verbonden aan het gewicht van de bobslee. Het maximum gewicht van de bobslee, inclusief atleten en uitrustingen, is voor de twee- en viermansbob respectievelijk 390 en 630 kg.

Om de luchtweerstand zo laag mogelijk te houden wordt er door alle bobsleeteams hard gewerkt aan de aerodynamica van de bobslee. Door de vorm van de bobslee aan te passen kan de luchtweerstand worden verminderd (net zoals bij een vliegtuig). Aan de TU Delft werd onderzoek gedaan naar de meest aerodynamische bobsleeconfiguratie [1]. Hier kwam uit dat de helm van de piloot, de spleet aan de zijkant van de bobslee en de houding van de bemanning wezenlijke invloed hadden op de aerodynamische weerstand van de bobslee (Nando Timmer, 2006). Tijdens de Olympische Spelen van Vancouver werd de Nederlandse bobslee zelfs ingesmeerd met een gladde weerstandverminderende coating.
Schaatsen

Slide 30 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Het onderdeel schaatsen gaat altijd om 'zo snel mogelijk'
A
Waar
B
Niet waar

Slide 31 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 32 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Noem zoveel mogelijk bekende nederlandse langebaanschaats(t)ers

Slide 33 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

Slide 34 - Tekstslide

Patrick Roest en Sven Kramer

Shorttrack
In tegenstelling tot het langebaanschaatsen is de absolute tijd van een rijder niet van belang. Vier tot zes rijders starten tegelijk en de rijder die als eerste finisht wordt als winnaar aangewezen. 

Naast techniek en conditie hebben shorttrackers ook behendigheid, tactiek en acceleratievermogen nodig. 

Slide 35 - Tekstslide

Shorttrack staat bekend om spectaculaire inhaalacties, waarbij onder meer binnendoor en buitenom ingehaald wordt, vaak met de hand aan het ijs in de bochten.

Slide 36 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Skiën en snowboarden

Slide 37 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 38 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Als je valt dan kunnen je skies vanzelf uitgaan.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 39 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welke kleur heeft meestal de makkelijkste piste
A
groen of blauw
B
rood
C
wit
D
zwart

Slide 40 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 41 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Waarom staan snowboarders met beide voeten vast op één board?
A
Om beter balans te houden tijdens het glijden
B
Om sneller te gaan
C
Omdat het stoerder is

Slide 42 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 43 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat denk je dat de hoogst behaalde snelheid is die tijdens het snowboarden is gemeten?

Slide 44 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat zou jij een tof onderdeel vinden om aan deel te nemen op de Olympische winterspelen?

Slide 45 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 46 - Video

Deze slide heeft geen instructies