30/4 Werkwoorden - stam + vervoegen

Werkwoorden
doel: oefenen en herhalen van regelmatige werkwoorden
1 / 41
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2MBOStudiejaar 1

In deze les zitten 41 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Werkwoorden
doel: oefenen en herhalen van regelmatige werkwoorden

Slide 1 - Tekstslide

timer
1:00
werkwoorden?

Slide 2 - Woordweb

Werken
Werken = het hele werkwoord
Stam = hele werkwoord -en (ik vorm)

werk

Slide 3 - Tekstslide

Luisteren
Luisteren = het hele werkwoord
Stam = hele werkwoord -en

luister

Slide 4 - Tekstslide

Wat is de stam van "Wandelen"

Slide 5 - Open vraag

Wat is de stam van "Rijden"

Slide 6 - Open vraag

Wat is de stam van "zingen"

Slide 7 - Open vraag

Wat is de stam van "luisteren"

Slide 8 - Open vraag

Opgelet : sommige werkwoorden vermeerderen de klinker

lopen - niet ik lop, maar....

Slide 9 - Tekstslide

Wat is de stam van "Lopen"

Slide 10 - Open vraag

Wat is de stam van "maken"

Slide 11 - Open vraag

Wat is de stam van "Koken"

Slide 12 - Open vraag

Wat is de stam van "spelen"

Slide 13 - Open vraag

Wat is de stam van "betalen"

Slide 14 - Open vraag

Zwemmen
Werken = het hele werkwoord
Stam = hele werkwoord -en

zwemm
--> 

Slide 15 - Tekstslide

Wat is de stam van "zwemmen"

Slide 16 - Open vraag

Wat is de stam van "zitten"

Slide 17 - Open vraag

Wat is de stam van "voetballen"

Slide 18 - Open vraag

Wat is de stam van "plakken"

Slide 19 - Open vraag

Schrijven
Werken = het hele werkwoord
Stam = hele werkwoord -en

schrijv
--> 

Slide 20 - Tekstslide

Wat is de stam van "schrijven"

Slide 21 - Open vraag

Lezen
Werken = het hele werkwoord
Stam = hele werkwoord -en

Lez
--> 

Slide 22 - Tekstslide

Wat is de stam van "Lezen"

Slide 23 - Open vraag

Wat is de stam van "reizen"

Slide 24 - Open vraag

Wat is de stam van "verhuizen"

Slide 25 - Open vraag

werkwoorden vervoegen
ik vorm = stam
jij = stam + t
hij/zij/het = stam + t
wij / jullie / zij = hele werkwoord

Slide 26 - Tekstslide

werkwoorden vervoegen
drinken
ik drink
jij drinkt
hij / zij / het drinkt
wij / jullie / zij drinken

Slide 27 - Tekstslide

Ik
Jij / hij / zij
Wij/jullie / zij
Het werkwoord: dansen
dans
danst
dansen

Slide 28 - Sleepvraag

Ik
Jij / hij / zij
Wij/jullie / zij
Het werkwoord: zingen
zing
zingt
zingen

Slide 29 - Sleepvraag

Ik
Jij / hij / zij
Wij/jullie / zij
Het werkwoord: schrijven
schrijf
schrijft
schrijven

Slide 30 - Sleepvraag

Vervoeg het werkwoord 'luisteren'
ik
jij
hij / zij
wij / jullie / zij

Slide 31 - Open vraag

Vervoeg het werkwoord 'eten'
ik
jij
hij / zij
wij / jullie / zij

Slide 32 - Open vraag

vinden
Ik ............. dat plan best goed.
A
vind
B
vint
C
vindt
D
vindet

Slide 33 - Quizvraag

beginnen
Ik ................ om 14.00 uur.

Slide 34 - Open vraag

studeren
Wij................ om 14.00 uur.

Slide 35 - Open vraag

drinken
Jij ................ veel water.

Slide 36 - Open vraag

eten
Jasmin en Fadil ................
graag frietjes.

Slide 37 - Open vraag

schrijven
Hij ... een brief.

Slide 38 - Open vraag

rijden
Hij ............. erg lekker.
A
rijdt
B
rijd
C
rijt
D
rijdet

Slide 39 - Quizvraag


Hoe goed ging de les?
Nieuws van de week video quiz

Slide 40 - Poll

Slide 41 - Tekstslide