Les 4 Nieren (urineonderzoek)

Klinische Chemie
Les 4: Nieren (urineonderzoek)
1 / 34
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMBOStudiejaar 3

In deze les zitten 34 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 120 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Klinische Chemie
Les 4: Nieren (urineonderzoek)

Slide 1 - Tekstslide

Planning
Terugblik vorige les
Lesdoelen
Theorie
   - macroscopisch urineonderzoek
   - dipstick
   - microscopisch onderzoek
   - foutbronnen
Opdrachten

Slide 2 - Tekstslide

Filtratie van bloed 
Onder invloed van de bloeddruk: 

- Bloedplasma wordt door de glomerulus 
   geperst --> filtraat (grote eiwitten/moleculen en 
                                     bloedcellen gaan hier niet doorheen)




- In de tubulus   --> nuttige stoffen teruggeresobeerd. 
                                   secretie van schadelijke stoffen 

Overblijfsel = urine en wordt afgevoerd via ureter (urineleider) naar de blaas. 

Slide 3 - Tekstslide

Reabsorptie in de delen van de tubulus
Proximale tubulus:
- 65% van het filtraat geresorbeerd (100% AZ en glucose)

Lis van Henle:
Lage osmolariteit --> veel reabsorptie van water --> osmolariteit neemt toe
Dalende deel permeabel voor water, maar niet voor Na+ (en andere elektrolyten)
Stijgende deel permeabel voor natrium, maar niet voor water --> reabsorptie via 
transporters

Distale tubulus en verzamelbuis
Transport via kanalen die d.m.v. hormonen op en dicht gezet worden.
ADH --> waterkanaal + reabsorptie ureum 
PTH --> Calcium + fosfaatkanaal 
Aldosteron -->Na+- + K+- kanaal  (stimuleert Na+, remt K+) 
weetje
overmaat van ADH bij prerenaal nierfalen als gevolg van uitdroging, leidt tot een sterk toegenomen ureum concentratie in het bloed
PTH
parathormoon, aangemaakt in de bijschildklier. Speelt een belangrijke rol bij de calciumwaarde in het bloed. 

Slide 4 - Tekstslide

Transport 
Elektrolyten zijn ionen: Cl-, Na+, K+ en HCO3- .
Deze worden uit het bloed gefilterd en 
komen in de voorurine. 


In de tubulus wordt 99% van de stoffen geresorbeerd.
Dit gebeurt actief via: 
- Na+/K+ pomp
- symporters 
passief via:
- waterkanaal (water o.i.v. ADH)
- diffusie
betekenis
eiwitpoortje, die meerdere ionen tegelijk kan doorlaten

Slide 5 - Tekstslide

Filtratie en terugresorptie van glucose en elektrolyten 
Glucose komt normaal in de voorurine en 
wordt 100% teruggeresorbeerd in de tubulus. 
Bij diabetis mellitus --> conc. glucose in bloed
te hoog, dus ook bij de nieren. 

De nierdrempel wordt overschreden bij 
10 mmol/L glucose in het bloed --> glucose
wordt niet allemaal meer geresorbeerd en 
komt in urine terecht. 

Bij ouderen en zwangere vrouwen is de nierdrempel lager. Er komt eerder glucose in de urine, zónder dat er sprake is van hyperglykemie (te hoge bloedsuikerspiegel)  

Slide 6 - Tekstslide

Wat wordt bedoelt met de nierdrempel?

Slide 7 - Open vraag

Wanneer de nierdrempel overschreden wordt, wordt niet alles gereabsorbeerd in de........
A
distale tubulus
B
glomerulus
C
proximale tubulus

Slide 8 - Quizvraag

Lesdoelen
  • Je leert welke macroscopische kenmerken er bij urine zijn
  • Je leert wat er met een dipstick bepaald kan worden
  • Je leert welke sedimenten in de urine aanwezig kunnen zijn en wat de aanwezigheid betekend. 
  • Je leert wat wordt bedoelt met concentrerend vermogen van de nier en hoe deze bepaald wordt. 
  • Je leert welke foutbronnen er zijn bij urineonderzoek

Slide 9 - Tekstslide

Urineonderzoek 
Macroscopisch (kleur, helderheid, volume bij 24-uurs onderzoek, vroeger ook smaak)


Bij positieve dipstick voor eiwit, glucose of bloedcellen wordt urine verder onderzocht.

Urine wordt gecentrifugeerd > sediment (neerslag) wordt microscopisch gecontroleerd op:
- ery's, leuko's
- cilinders
- cellen (gisten, bacteriën)
- kristallen 

Slide 10 - Tekstslide

Macroscopisch onderzoek 
1. Hoeveelheid; veel urine (polyurie) of weinig urie (oligurie)

2. Kleur; beïnvloed door:
       - medicatie (blauw, groen, bruin, oranje/rood)
       - hemoglobine (zwart of rood)
       - eiwit of bilirubine (schuimend)

3. Helderheid; troebele urine  (veel leuko's) is vaak aanwijzing voor infectie


Slide 11 - Tekstslide

Slide 12 - Video

Semi-kwantitatief urine-onderzoek 
Semi-kwantitatief urine-onderzoek gebeurt d.m.v. een dipstick. > Strip met gedroogd substraat.

Info over:                                                          
  • leuko's > alleen granulocyten  (oorzaak: ontstekingen aan nieren en urinewegen, niersteen, blaassteen)       
   Valspositief bij bepaalde medicatie of sterk gekleurde urine. 
   Valsnegatief bij lage pH urine, vitamine C, hoge concentratie eiwit of glucose.


                                 
    
  • ery's / hemoglobine > meting peroxidase activiteit
  Valspositief door aanwezigheid myoglobine uit de spieren
  Valsnegatief door lage pH of geconcentreerde urine  >  niet lyseren van de ery's, wordt geremd door vitamine C .           
                                          

               


Slide 13 - Tekstslide

  • nitriet (infectie met bacteriën) 
   Vals negatief door vitamine C > reduceert de kleurstof
   Let op! niet iedere bacterie kan nitraat omzetten in nitriet
  • pH (nierziekte of dieet)
  Gezonde urine heeft pH tussen 5 en 6 (zwak zuur)
  Bij bacteriegroei is de pH hoger > er ontstaat ammoniak door afbraak ureum
  Fout door te lang laten staan (bacteriegroei)

  • glucose (aanwijzing voor diabetis mellitus)
  Vals negatief  of te laag door zure urine (door vitamine C > reageert met H2O2, ketoacidose of aspirine > remmen  
  GOD activiteit)
  Vals positief door schoonmaakmiddelen > leiden tot productie van H2O2.




Slide 14 - Tekstslide

  • ketonen (komt vrij bij vetverbranding door diabetes of langdurig vasten)
  Belangrijkste ketonen: aceton, acetoacetaat, B-hydroxyboterzuur (afbraakproduct van vetzuren) 
  Gevolg: verzuring van het bloed (ketoacidose)


  • Eiwit (m.n. albumine) > alleen eiwitconcentraties boven 300 mg/L
    Valspositief door hoge pH, bepaalde geneesmiddelen

  • billirubine en urobilinogeen (leverziekte)
  Afbraakproduct van hemoglobine
  • soortelijke massa (nierfunctie)

Slide 15 - Tekstslide

Wat kan er aan de hand zijn als de dipstick positief is voor ery's, maar er geen bloedcellen in het sediment te vinden zijn?

Slide 16 - Open vraag

Noem drie verklaringen voor een positieve glucose test.

Slide 17 - Open vraag

Bij welke oorzaak is de uitslag van de ketonentest positief?
A
De urine is opgevangen in een jampotje
B
De patiënt heeft diabetes melitus
C
De patiënt heeft een verlaagde nierdrempel

Slide 18 - Quizvraag

Bij urineonderzoek bij een patiënt geeft de dipstick aan dat er eiwit in de urine aanwezig is.
Welk eiwit is dit hoogstwaarschijnlijk?

Slide 19 - Open vraag

Sedimentonderzoek - microscopisch 
Urine wordt gecentrifugeerd > sediment (neerslag) wordt microscopisch gecontroleerd op:
- Ery's, leuko's 
- Cilinders
- Cellen (o.a. gisten en bacteriën)
- Kristallen 


Slide 20 - Tekstslide

Ery's en leuko's 
Hematurie = aanwezigheid van bloed in urine

Oorzaak:
  • ontsteking vd nieren (glomerulonefritis)
  • nierstenen
  • maligniteiten
  • overdosering van anticoagulantia (antistolling)

Drie belangrijke vragen (voor arts)
1. Zijn er ery's aanwezig?
2. Is het een renale of niet renale bloeding?
3. Is er sprake van een urineweginfectie?


Slide 21 - Tekstslide

Hematurie
Zijn er ery's aanwezig? Zo ja, wat is de vorm?

Normale ronde vorm = isomorf 
Oorzaak: Bloedverlies uit lagere urinewegen (niet-renale hematurie of 
                                                                                 urologische hematurie)
Ery's zijn intact (isomorf). Er worden geen cilinders gevonden. 
Aandoening aan urineweg en/of blaas


Bij verschil in grootte en vorm = polymorf
Misvormd of beschadigd of onregelmatig = dysmorf

Oorzaak: lekkage vanuit glomerulus van ery's naar urine (renale hematurie)
                 door glomerulonefritis. Vaak in combinatie met cilinders

Slide 22 - Tekstslide









Wat zal de analist moeten doen? 
De analist draait een sediment af en controleert de vorm van de ery's. 

Slide 23 - Tekstslide

Een grote hoeveelheid dysmorfe ery's wijst op
A
nierstenen
B
urineweginfectie
C
glomerulonefritis

Slide 24 - Quizvraag

Cilinders
Cilinders: stolsels van neergeslagen eiwitten, vet of cellen in de 
tubili of verzamelbuizen van de nier (door lage pH)

Ontstaan door eiwitafzetting in de tubili

Soorten cilinders:
  • hyalinecilinders: eiwitcilinder zonder cellen (ook normaal)
  • leukocytencilinder: infectie van de hogere urinewegen
  • erytrocytencilinder: glomerulonefritis (zie afb.)

Fout: oude urine is basischer, cilinders lossen weer op > niet meer zichtbaar

Slide 25 - Tekstslide

Cellen
Tubulusepitheel (in normale, gezonde urine, rechts afb. a)

Tubulusepitheel omgeven door vetdruppeltjes (links onder) 
wijst op nefrotisch syndroom. Bij ernstig eiwitverlies kunnen 
ook vetdeeltjes worden uitgescheiden


                                               Aanwezigheid van plaveiselepitheel (rechtsboven afb. b) heeft weinig                                   geen medische betekenis. Het geeft aan dat er geen goede                                                     midstream urine is verzameld.

Slide 26 - Tekstslide

Slide 27 - Video

Kristallen
Belangrijk: kristallen niet verwarren met cellen.
Sommige afbraakproducten van aminozuren zijn slecht oplosbaar in urine bij een hogere concentratie  of  bij een veranderde pH. 
Veelvoorkomend: Calciumoxalaat (basis voor niersteen), urinezuurkristallen

Kristallen hoeven in principe niet geïdentificeerd te worden
behalve de de zeshoekige cystine-kristallen. 
Aanwezigheid duidt op cystinurie (stofwisselingsziekte)
                          


                                                  Bacteriurie > 10 bacteriën per gezichtsveld.                                                                                                                                    Urine moet vers zijn.                                                                                                                                                                              Overig: gistcellen, slijm (kan bij ontsteking), wormeieren, parasieten, trichonomas


               

Slide 28 - Tekstslide

Slide 29 - Link

Concentrerend vermogen van de nier 
ADH regelt de hoeveelheid water die de nieren uitscheiden. (Nieren verwerken +/- 180 liter per dag, maar scheiden maar 2 liter uit).
Ook de hoeveelheid opgeloste stof bepaalt hoeveel water wordt uitgescheiden. 

De osmolariteit (hoeveelheid opgeloste stoffen) en soortelijke massa van de urine geven info over de mate van verdunning en hoeveelheid opgeloste deeltjes. (meten met dipstick of refractometer)

Soortelijke massa normaal: 1,020 - 1,025 g/cm3 
Bij nierfunctiestoornis herhaaldelijk < 1,010 g/cm3 

Slide 30 - Tekstslide

 Totaal eiwit 
Eiwitonderzoek is van belang voor tijdig opsporen van nierziekten of het bepalen van de nierschade. 

Concentratie totaal eiwit en/of albumine wordt gemeten, bij voorkeur in 24-uurs urine. 
             micro-albuminurie (20 - 200 mg/L albumine) > schade is beperkt
             bij verslechtering tot enkele grammen per dag. 

Bij meting in ochtendurine wordt de albumine/kreatinine ratio berekend. Kreatinine compenseert dan voor de mate van urineconcentratie. ('s ochtends meer geconcentreerd dan 's middags)


Slide 31 - Tekstslide

Voor urineonderzoek wordt er veelal 24 uurs-urine gespaard. Vervolgens wordt door het laboratorium het volume van de urine opgemeten, gemiddeld is dat ongeveer 2 liter per 24 uur. 
Wat is de belangrijkste reden waarom je het volume meet?

antwoord
Je wilt precies weten hoeveel liter urine iemand per 24 uur produceerd. Je hoort &lt;20 mg/24 uur eiwit uit te scheiden. Als iemand 2 liter inlevert waar gemiddeld 100 mg/L in zit, verliest de patiënt 200 mg eiwit per 24 uur. Levert de patiënt 4 liter in met een gemiddelde concentratie van 100 mg/L, dan verliest de patiënt 400 mg/24 uur en is er wel degelijk sprake van proteïnurie.&nbsp;

Slide 32 - Tekstslide

Foutbronnen 
Urine te oud (meer dan 2 uur) > risico op bacteriegroei en lyse van cellen (ery's en leuko's) en cilinders. 

Urine nooit los zien van teststrook > d.m.v. teststrook kunnen gelyseerde cellen wel gemeten worden.  

Bij gebruik van teststrookjes moet je altijd rekening houden met:
  • de vervaldatum 
  • gebruik alleen teststroken uit een goed afgesloten container
  • gebruik alleen verse urine (evt. bewaren bij 4oC)
  • strook niet te lang in urine ( max 1 sec. ; reagentia kunnen dan oplossen)
  • urine op kamertemperatuur (uit koelkast is te koud --> reacties verlopen te langzaam)


Slide 33 - Tekstslide

Vragen?

Slide 34 - Tekstslide