Kwestie 1 & 2 oefenvragen

Kwestie 1 & 2 oefenvragen
1 / 19
volgende
Slide 1: Tekstslide
FilosofieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 6

In deze les zitten 19 slides, met interactieve quizzen, tekstslide en 1 video.

time-iconLesduur is: 40 min

Onderdelen in deze les

Kwestie 1 & 2 oefenvragen

Slide 1 - Tekstslide

Wat zijn oriënterende metaforen?
A
Metaforen die onze emoties en gevoelens weergeven
B
Metaforen die de wereld buiten ons beschrijven
C
Metaforen in taal die onze lichamelijke oriëntatie op de wereld onthullen
D
Metaforen die geen verband houden met ons lichaam

Slide 2 - Quizvraag

Hoe werkt een schaakcomputer bij het nadenken over een zet?
A
Een schaakcomputer kopieert de zetten van een menselijke speler.
B
Een schaakcomputer maakt gebruik van voorgeprogrammeerde kennis van alle stukken.
C
Een schaakcomputer maakt gebruik van neurale netwerken om patronen te herkennen.
D
Een schaakcomputer loopt alle mogelijke zetten langs en geeft ze een waarde gebaseerd op de uitkomst van alle mogelijke rondes.

Slide 3 - Quizvraag

Welke boodschap over vrouw-zijn geven we kinderen mee?

Slide 4 - Open vraag

Is dit een probleem?
Ja want..
Nee want..

Slide 5 - Poll

Definieer de begrippen 'pre-reflectief' en 'lichaamsschema'.

Slide 6 - Open vraag

Hoe biedt fenomenologie een perspectief op bestaanservaring volgens Sheets-Johnstone?

Slide 7 - Open vraag

1

Slide 8 - Video

03:00
Wat heeft deze video te maken met het begrip bestaanservaring?

Slide 9 - Open vraag

Wat is de stelling van Andy Clark en David Chalmers?
A
Ons denkvermogen is beperkt tot onze hersenen
B
Ons denkvermogen breidt zich uit buiten ons lichaam
C
Ons denkvermogen is niet beïnvloedbaar
D
Ons denkvermogen is afhankelijk van de wereld om ons heen

Slide 10 - Quizvraag

Leg uit hoe Plessner probeerde biologie te verenigen met fenomenologie in zijn visie op de mens.

Slide 11 - Open vraag

Hoe denken mensen volgens Clark & Chalmers en Noë?
A
met hun lichaam in een andere dimensie
B
met hun lichaam maar niet met hun brein
C
met hun brein en lichaam in een omgeving
D
alleen met hun brein

Slide 12 - Quizvraag

Wat houdt 'excentrische positionaliteit' in en wat zijn de drie antropologische wetten?

Slide 13 - Open vraag

Wat is het probleem met de strikt neurologische benadering van ons denkvermogen?
A
Het kan niet verklaren wat ervaring precies is.
B
Het kan niet verklaren hoe een fysiek proces in de hersenen een niet-fysiek bewustzijn veroorzaakt.
C
Het kan niet verklaren waarom iets zien een ander soort ervaring is dan iets horen.
D
Het kan niet verklaren hoe ons brein een uitwisseling mogelijk maakt met de omgeving.

Slide 14 - Quizvraag

Wat is enaction?
A
Een term die verwijst naar het aftasten van de omgeving met ons sensomotorische lichaam.
B
Een proces waarbij ons brein manipuleert met objecten in de wereld.
C
Een concept dat de opvatting van het brein als oorsprong van ervaring ondersteunt.
D
Een uitwisseling waarbij waarnemen en handelen onlosmakelijk verbonden zijn.

Slide 15 - Quizvraag

Hersenactiviteit kan onze persoonlijkheid drastisch veranderen
Stoornissen in de hersenen hebben aantoonbare invloed op gedrag en mentale gesteldheid
Persoonlijkheid is stabiel en kan niet zo makkelijk veranderen
Hersenactiviteit kan wel invloed hebben, maar niet drastisch veranderen
Persoonlijkheid wordt niet alleen bepaald door hersenactiviteit

Slide 16 - Poll

Wat is de bemiddeling tussen taal en ervaring?
A
Ervaring beïnvloedt taalgebruik niet
B
Taal heeft geen invloed op onze ervaring
C
Taal drukt onze ervaring uit en vormt onze ervaring
D
Taal bepaalt onze ervaring niet

Slide 17 - Quizvraag

Wat benadrukt Descartes bij het onderzoeken van het menselijke bestaan?
A
religie
B
wetenschap
C
introspectie
D
morele context

Slide 18 - Quizvraag

Hoe willen fenomenologen de wereld beschrijven?
A
via religieuze context
B
door introspectie
C
vanuit de wetenschappelijke duiding
D
vanuit de primaire ervaring

Slide 19 - Quizvraag