1HV 5.3 Lezen: Tekstdoelen, betoog en tekstverbanden week 20

Nederlands is
1 / 26
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 1

In deze les zitten 26 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Nederlands is

Slide 1 - Tekstslide


Eén jaar geen mondverzorging.
Eén jaar dezelfde onderbroek aan.

Slide 2 - Poll

Lezen

Slide 3 - Tekstslide

Wat leer je uit §5.3 Lezen?


1. Tekstdoelen: activeren en amuseren
2. Betogende tekst
3. Tekstverbanden; redengevend en concluderend 
4. Het VN-kinderrechtenverdrag 

Slide 4 - Tekstslide

Bladzijde 91, paragraaf 5.3 Lezen
Betogende teksten
betogen

Slide 5 - Tekstslide


Wat is
het tekstdoel?
Tekstsoort? Tekstvorm?
A
informeren
B
overtuigen
C
activeren
D
amuseren

Slide 6 - Quizvraag


Wat is
het tekstdoel?
Tekstsoort? Tekstvorm?
A
informeren
B
overtuigen
C
activeren
D
amuseren

Slide 7 - Quizvraag


Wat is
het tekstdoel?
Tekstsoort? Tekstvorm?
A
informeren
B
overtuigen
C
activeren
D
amuseren

Slide 8 - Quizvraag

Betogende teksten

Slide 9 - Tekstslide

Wat weet je al over betogende teksten?

Slide 10 - Woordweb

Betogende tekst
Betogende teksten

Slide 11 - Tekstslide

Betogende tekst of betoog 
overtuigende teksten
Tekstvorm? Ingezonden brief, e-mail met klacht, online bericht.
Een betoog is geschreven om jou ergens van te overtuigen.
In een betogende tekst geeft de schrijver zijn/haar mening over een onderwerp. Hij/zij verdedigt dit standpunt met argumenten
Een argument is een reden of een voorbeeld waarmee de schrijver wil bewijzen dat zijn mening de juiste is. Een argument kan een feit zijn of een mening.

Slide 12 - Tekstslide

Standpunt: Amsterdam is de leukste stad van Nederland!
Argumenten (= redenen)

Amsterdam heeft het hoogste toeristische bezoekers per jaar. (= feit)
Amsterdam organiseert de leukste evenementen. (= mening)

Amsterdam ... enzovoort.

Slide 13 - Tekstslide

Tekstopbouw van betogende teksten: driedeling
Inleiding    = mening over het onderwerp, standpunt
Kern           = argumenten voor de mening
Slot            = conclusie, samenvatting van de belangrijkste zaken

De schrijver gebruikt in het betoog signaalwoorden voor de tekstverbanden. Weet je welke? 



Slide 14 - Tekstslide

Tekstverbanden, deze vier ken je al:

1. opsommend      ->     ten eerste, ten tweede, en, bovendien.
2. tijdsvolgorde    ->     eerst, terwijl, toen, vervolgens.
3. tegenstellend    ->     maar, echter, toch, daarentegen.
4. uitleggend         ->     bijvoorbeeld, dat wil zeggen, zoals.


(Tekstverbanden, blz.93, maar ook samengevat op blz. 151)

Slide 15 - Tekstslide

Twee nieuwe tekstverbanden, die vaak in een betoog voorkomen
Redengevend tekstverband
De schrijver geeft een reden voor zijn argument, een feit of een mening.
Signaalwoorden: want, omdat, daarom, immers, namelijk
                                                  -> Ik wil niet naar tennisles, want ik heb geen zin.

Concluderend tekstverband
Signaalwoorden: dus, dan ook, hieruit volgt, kortom, concluderend
                                                 -> Kortom, ze heeft geen zin en wil niet naar tennisles.



Slide 16 - Tekstslide

betogende tekst
dus daarom
omdat daardoor
want, zodat
kortom, al met al
nadat
zodra

Slide 17 - Sleepvraag

Maak een korte zin met een redengevend tekstverband.

(want, omdat, daarom, immers, namelijk)

Slide 18 - Open vraag

Maak een korte zin met een concluderend tekstverband.

(dus, dan ook, hieruit volgt, kortom, concluderend)

Slide 19 - Open vraag

Wat?
§ 5.3 Lezen: opdrachten les 1 1,2,3,4,5,6,7
les 2,3 : 8 t/m 11 + 13
Hoe?
Leerwerkboek + schrift
Hulp?
Boek, klasgenoot
Resultaat?
Huiswerk maandag weektaak af.
Leerdoel?
Kenmerken betogende tekst, redengevend en concluderend tekstverband
Klaar?
lezen of verder met week 20 zie werkwijzer.

Slide 20 - Tekstslide

Wat weet je nu?
Hoe ging het in de klas?

1. Tekstdoelen: activeren en amuseren
2. Betogende tekst
3. Tekstverbanden; redengevend en concluderend

Slide 21 - Tekstslide

Einde van de les

Slide 22 - Tekstslide

Wat weet je nu?
Hoe ging het in de klas?

Slide 23 - Tekstslide

Dinsdagdilemma

Slide 24 - Tekstslide


Je benT analfabeet.
Je hebt schubben over je hele lijf.

Slide 25 - Poll


Je moet iedere avond een 5-gangen diner bereiden.
Je mag alleen fastfood als avondeten.

Slide 26 - Poll