Les 16 taal PABO, 2 maart 2026

Les 16 | Taal 2.
  1. Inchecken: Hoe voel je je?
  2. De vorige les
  3. Opwarmertje
  4. Instructie
  5. Zelfstandig werken
  6. Evaluatie
1 / 24
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsHBOStudiejaar 1,2

In deze les zitten 24 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Les 16 | Taal 2.
  1. Inchecken: Hoe voel je je?
  2. De vorige les
  3. Opwarmertje
  4. Instructie
  5. Zelfstandig werken
  6. Evaluatie

Slide 1 - Tekstslide

Inchecken; Hoe voel je je nu?

Slide 2 - Tekstslide

Hoe voel je je?

Blij, enthousiast of..
Normaal, rustig of...
Moe, nerveus, verdrietig of...

Slide 3 - Open vraag

De vorige les.
Taal 2.
Lesdoel(en) | Lesson objective(s):
  • Ik leer welke verschillende functies taal heeft (taalfuncties).
  • Ik leer meer over de mondelinge taalvaardigheid.
Spreek- en luisterstrategieën​
Spreek- en luisterdoelen​
  • Ik leer de principes van woordenschatverwerving.

Slide 4 - Tekstslide

Taalfuncties; Lees de onderstaande uitspraken van leerlingen. Welke taalfunctie staat centraal?

a. “Kun je mij uitleggen hoe je deze som hebt opgelost?”
b. “Wat mooi heb jij dat getekend!”
c. “Ik denk dat dit niet klopt, want het antwoord is hoger dan eerst.”

Slide 5 - Open vraag

Lees de onderstaande situaties. Welk doel staat centraal?
Kies uit: informeren, amuseren, instrueren, overtuigen, emotioneren, waarderen, beschouwen.

a. Een leerling geeft een spreekbeurt over vulkanen en vertelt hoe ze ontstaan.
b. Twee leerlingen bespreken samen wat er beter kan aan hun groepsopdracht.
c. Een leerling vertelt een grappige anekdote tijdens de weekafsluiting.

Slide 6 - Open vraag

Lees de onderstaande situaties. Welke luisterstrategie en welk luisterdoel horen hierbij?

a. Een leerling luistert naar een instructievideo om stap voor stap te begrijpen hoe hij een proefje moet uitvoeren.
b. De klas luistert naar een presentatie over plasticvervuiling om meer te weten te komen over het onderwerp.
c. Een leerling luistert naar het verhaal van een klasgenoot om feedback te kunnen geven.

Slide 7 - Open vraag

Principes woordenschatverwerving; Een leerkracht introduceert het woord kompas in groep 5.

a. De leerkracht laat een echt kompas zien en zegt: “Dit is een kompas. Hiermee kun je zien waar het noorden is.”
b. Daarna laat de leerkracht verschillende soorten kompassen zien (een digitaal kompas, een kompas in een telefoon, een klassiek kompas) en bespreekt wat ze gemeen hebben.
c. Vervolgens gebruikt de leerkracht het woord in verschillende contexten, zoals:
“Een kompas helpt je bij het navigeren.” en “Waarden kunnen een kompas zijn in je leven.”

Slide 8 - Open vraag

Instructie.
Taal 2.
Lesdoel(en):
  1. Ik leer wat impliciet en expliciet stimuleren van woordenschat betekent.
  2. Ik leer verschillende didactische aanpakken om woorden aan te leren.
  3. Ik leer dat taal een functie, systeem en betekenis heeft.
  4. Ik leer wat taalbeschouwing is.

Deze les bevat theorie vanuit bijeenkomst 3 en 4.



Slide 9 - Tekstslide

Instructie.
Stimuleren van woordenschat.
Impliciet stimuleren van woordenschat; Leren via betekenisvolle ervaringen en rijke taal.

Uitgangspunt:
Als je een kind kennis leert, leert het automatisch woorden.
  • Je praat over interessante onderwerpen op een rijke en natuurlijke manier.
  • Nieuwe woorden worden aangeboden in gesprekken, verhalen, thema’s en ervaringen.
  • De focus ligt op inhoud en begrip, niet op het woord zelf.
  • Woordenschat groeit als bijproduct van kennisopbouw.

Het leren gebeurt spelenderwijs en onbewust. Woorden leren doordat je kennis opdoet.

Slide 10 - Tekstslide

Instructie.
Stimuleren van woordenschat.
Expliciet stimuleren van woordenschat; Gerichte en bewuste woordenschatinstructie.

Specifieke woorden worden doelgericht aangeleerd (in context).
Er is aandacht voor woordbetekenis, woordvorm en woordgebruik.
Leerlingen krijgen frequent contact met nieuwe woorden.
Woordleerstrategieën worden aangeleerd (zoals analyseren, context gebruiken, bronnen raadplegen).

Het leren gebeurt doelgericht en bewust. Woorden leren doordat je ze doelgericht onderwijst.

Slide 11 - Tekstslide

Instructie.
Didactische aanpakken.
Viertakt verhallen.

  1. Voorbewerken: motiveren, netwerk openen
  2. Semantiseren: betekenis concretiseren (zie voorbeelden volgende slide)
    Uitbeelden
    Uitleggen
    Uitbreiden
    Uitspreken
  3. Consolideren: inoefenen, 7x herhalen
  4. Controleren: toetsen, 2 á 3 keer

Slide 12 - Tekstslide

Instructie.
Didactische aanpakken.
Hulpmiddelen semantiseren:
  1. Woordparaplu; categoriseren.
  2. Woordspin; netwerkopbouw.
  3. Woordkast; tegenstellingen.
  4. Woordtrap; gradaties.

Slide 13 - Tekstslide

Instructie.
Didactische aanpakken.
Viertakt van Van Koeven en Smits.

Kritiek op Verhallen.

  1. Voorbewerken: multiperspectivistisch thema en gebruik van kinderboeken.
  2. Semantiseren: (voor)lezen van teksten en boeken (non-fictie en fictie) rond een thema en daarover in gesprek gaan. Woordveld gebruiken bij interessante concepten.
  3. Consolideren: betekenisvolle opdrachten.
  4. Controleren: gericht op het thema i.p.v. specifieke woorden.

Slide 14 - Tekstslide

Instructie.
Taal; functie, systeem, betekenis.
Taal heeft een functie;
  • Sociaal/communicatieve functie
  • Expressieve functie
  • Conceptualiserende functie

Taal heeft een systeem (taalkundige niveaus);
  • Fonologie
  • Morfologie
  • Syntaxis
  • Orthografie
  • Pragmatiek
  • Semantiek



Slide 15 - Tekstslide

Instructie.
Taal; functie, systeen, betekenis.
Taal heeft een betekenis (semantiek);
  • Antoniemen (tegenovergestelde); aardig – onaardig
  • Synoniemen (ongeveer hetzelfde); raam – venster
  • Polysemen (woord met meerdere verwante betekenissen); tak - van een boom of van een sport / of steen - edelsteen, grafsteen
  • Homoniemen (dezelfde schrijfwijze, andere betekenis); bank om op te zitten, bank om geld op te zetten.
  • Homofonen (klinken hetzelfde, andere schrijfwijze en betekenis); eis - ijs
  • Homografen (hetzelfde geschreven, maar andere uitspraak en betekenis); ré-gent → het regent buiten (werkwoord),
    re-gént → een regent (heerser)

Slide 16 - Tekstslide

Instructie.
Taalbeschouwing.
Taalbeschouwing is het systematisch nadenken over vorm en betekenis van taal.

Reflectie op alle aspecten van taal:
  • Taalsysteem
  • Taalgebruik
  • Taalnormen
  • Taalvariatie
  • Taalverandering

Slide 17 - Tekstslide

Instructie.
Taalbeschouwing
Wat is taalbeschouwing:
  • Spontane en intentionele taalverschijnselen observeren en beoordelen.
  • Reflecteren op taal als systeem, op het gebruik van taal en op de functie van taal.
  • Grammatica (woordbenoemen en zinsontleding).
  • Beschrijvende taalnormen (Algemeen Nederlands, formele taal).


Slide 18 - Tekstslide

Zelfstandige verwerking.
Kennis testen.
Lesdoel(en):
  1. Ik leer wat impliciet en expliciet stimuleren van woordenschat betekent.
  2. Ik leer verschillende didactische aanpakken om woorden aan te leren.
  3. Ik leer dat taal een functie, systeem en betekenis heeft.
  4. Ik leer wat taalbeschouwing is.

Slide 19 - Tekstslide

Mevrouw Janssen wil de woordenschat van haar kleuters vergroten tijdens een thema over “boerderij”. Ze besluit dit op twee manieren te doen:

1. Tijdens het voorlezen van een prentenboek over boerderijdieren wijst ze op nieuwe woorden zoals “stal”, “hok” en “weiland” en legt ze de betekenis kort uit.
2. Terwijl de kinderen spelen met boerderijfiguren, gebruikt ze zelf woorden als “koe”, “varken” en “tractor” in haar eigen taalgebruik, zonder expliciet te stoppen om de woorden uit te leggen.

Welke voorbeelden illustreren expliciete en impliciete stimulering van woordenschat? Leg uit.

Slide 20 - Open vraag

Het viertaktmodel wordt vaak gebruikt om nieuwe woorden bij jonge kinderen aan te leren. Stel, je wilt het woord “schommel” introduceren in je kleutergroep.

a) Leg uit wat je bij voorbewerken zou doen.
b) Geef een concreet voorbeeld van semantiseren.
c) Noem een activiteit bij uitbeelden.
d) Leg uit hoe je consolideren en controleren toepast.

Slide 21 - Open vraag

In groep 6 ontdekken leerlingen dat het woord bank kan betekenen: een meubel om op te zitten, maar ook een plek waar je geld bewaart. Bank is een voorbeeld van een:

A. Synoniem
B. Homoniem
C. Homofoon
D. Tegenstelling

Slide 22 - Open vraag

Tijdens een spellingles leren leerlingen dat lei (om op te schrijven) en lui (meervoud van luiaard of ‘niet ijverig’) anders worden geschreven maar hetzelfde klinken als ei en ij-woorden in andere voorbeelden. Het woordpaar ei en ij (bijv. mei en mij) is een voorbeeld van:
A. Homograaf
B. Synoniem
C. Homofoon
D. Homoniem

Slide 23 - Open vraag

De volgende les.
Wat ga je leren?
De volgende les:
  • Ik leer over het waarom en hoe betreft taalbeschouwing (o.a. taalbeschouwingsstrategieën).
  • Ik leer wat werkwoordspelling moeilijk maakt;
  • Ik kan uitleggen welke drie didactieken er zijn voor de werkwoordspelling en ik kunt deze toepassen;
  • Ik kan fouten in de werkwoordspelling analyseren in (sub)categorieën.

Belangrijk: Ik stuur je, na elke les, de LessonUples naar je toe. Herhalen is belangrijk.



Slide 24 - Tekstslide