Ondersteuningsplan MZ Quiz

Ondersteuningsplan
Studiepunt: inleveren van 1 totaal ondersteuningsplan voor een cliënt  --> zie It's learning voor totaal overzicht
Inleveren vóór 14 november 0.00 uur!

Kennistoets 15-19 november: Theorie ondersteuningsplan
p6: Casustoets schrijven van ondersteuningsplan
1 / 21
volgende
Slide 1: Tekstslide
WelzijnMBOStudiejaar 2

In deze les zitten 21 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Ondersteuningsplan
Studiepunt: inleveren van 1 totaal ondersteuningsplan voor een cliënt  --> zie It's learning voor totaal overzicht
Inleveren vóór 14 november 0.00 uur!

Kennistoets 15-19 november: Theorie ondersteuningsplan
p6: Casustoets schrijven van ondersteuningsplan

Slide 1 - Tekstslide

Waar bestaat stap 1 uit van het opstellen van een ondersteuningsplan?
A
Probleemanalyse maken
B
Beginsituatie beschrijven
C
Ondersteuningsvraag opstellen
D
SMART doelen formuleren

Slide 2 - Quizvraag

Wat wordt er gedaan in stap 1:
'Beginsituatie vaststellen'
A
Welke doelgroep heb ik voor me? (informatie verzamelen)
B
Het doel bepalen
C
De activiteit uitvoeren volgens de stappenplan
D
Datum vaststellen wanneer je je activiteit gaat uitvoeren

Slide 3 - Quizvraag

Methodische cyclus
Stap 1
Stap 2
Stap 3
Stap 4
Stap 5
Beginsituatie vaststellen
Probleemstelling, behoefte en ondersteuningsvraag
Doel opstellen
Plan maken en uitvoeren
Evaluatie

Slide 4 - Sleepvraag

Hoe heet de manier van observeren waar je ook let op de omgeving en mensen rondom de cliënt?
A
Event sampling
B
Protocollaire observatie
C
Contextuele observatie
D
Interval observatie

Slide 5 - Quizvraag

Hoe wordt een participerende observatie ook wel genoemd?
A
Externe observatie
B
Interne observatie
C
Vrije observatie
D
Gesloten observatie

Slide 6 - Quizvraag

'De domeinen of levensgebieden van Schalock' is een voorbeeld van?
A
Wat? Waar gaat dit over?
B
Ordeningsprincipe
C
Plan van Aanpak
D
Doelformulering

Slide 7 - Quizvraag

Hoe een cliënt omgaat met stress is een voorbeeld van?
A
Emotioneel welbevinden
B
Materieel welbevinden
C
Sociale inclusie
D
Persoonlijke ontplooiing

Slide 8 - Quizvraag

Wat hoort er NIET bij het kopje Interpersoonlijke relaties
A
Contact met hulpverleners
B
Relatie met familie
C
Intimiteit en genegenheid
D
Zelfbeeld

Slide 9 - Quizvraag

Waar staan de letters PES voor bij de probleemanalyse?

Slide 10 - Open vraag

"Cliënt M slaat met haar hoofd tegen de muur als zij haar zin niet krijgt van de begeleiding en kan haar frustraties niet op een andere manier uiten"
Hoe zou jij de PES omschrijven?

Slide 11 - Open vraag

Mandy wil leren om haar frustraties op een andere manier te uiten. Wat zou een goede ondersteuningsvraag zijn?
A
Binnen 2 weken uit ik mijn frustraties op een goede manier
B
Ondersteun mij bij het vinden van een andere manier van het uiten van mijn emoties
C
Ik ga 2x per dag in mijn dagboek schrijven over hoe ik me voel
D
De begeleider zorgt dat M haar emoties onder controle heeft

Slide 12 - Quizvraag

Wanneer formuleer je een ondersteunings- of hulpvraag?
A
Nadat je de smartdoelen hebt opgesteld
B
Na de probleemanalyse (PES)
C
Na het observeren volgens een methode
D
Tijdens de evaluatie

Slide 13 - Quizvraag

Waar staat 'SMART' leerdoel voor?
A
Speciaal, meetbaar, acceptatie, realistisch, tijdsgebonden
B
Specifiek, beginsituatie, acceptabel, realistisch, tijdsgebonden
C
Specifiek, machtig, abuis, realistisch, tijdsgebonden
D
Specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch, tijdsgebonden

Slide 14 - Quizvraag

Maak hier een SMART doel van:
"Pieter wil graag een eigen huis"

Slide 15 - Open vraag

Wat is een goed voorbeeld van een SMART doel?
A
Ondersteun Peter bij het zo spoedig mogelijk zelfstandig wonen
B
Binnen 2 weken smeert Hannah zelfstandig haar boterham tijdens het ontbijt op de woongroep
C
De begeleider helpt Wendy bij het uiten van haar emoties
D
Binnen 3 weken gaat Hans beter om met zijn emoties en wordt hij minder snel boos

Slide 16 - Quizvraag

Voorwaarden van doelformulering
  • Formuleer zo kort en kernachtig mogelijk.
  • Begin het doel met de naam van de cliënt. Gebruik daarna een ‘actief’ werkwoord, zodat de doelstelling in cliëntgedrag (= concreet handelen) geformuleerd wordt --> niet 'M wil koken' maar 'M kookt'
  • Vermijdt werkwoorden als kan / wil /wordt / is
  • Vermijdt woorden als beter / meer / minder
  • Formuleer alsof het doel bereikt is.
  • Verwar doelen niet met middelen! Activiteiten zijn middelen om doelen te bereiken en geen doel op zich!
  • Verwar doelen niet met uitgangspunten en/of voornemens. 

Slide 17 - Tekstslide

Soorten doelen
  • Statische doelen: situatie verandert niet, doelen blijven altijd bestaan
  • Dynamische doelen: situatie verandert en verbetert

  • Hoofddoelen: algemeen doel, lange termijn doel = Langer dan 3 maanden

  • Subdoelen: concreet doel, korte termijn doel = Binnen/korter dan 3 maanden



Slide 18 - Tekstslide

Slide 19 - Tekstslide

Ik heb voldoende kennis van beginsituatie tot en met smartdoelen
Ja, ik zou de toets nu voldoende halen!
Een beetje, er zijn nog een aantal lastige onderdelen
Nee, ik vind het nog erg lastig

Slide 20 - Poll

Volgende 2 weken
5 november: Plan van Aanpak + werken aan eigen ondersteuningsplan

12 november: Evalueren en bijstellen + werken aan eigen ondersteuningsplan

Slide 21 - Tekstslide